In het kort - Leestijd: 9 minuten
• Het artikel behandelt nederlandse rechters en het eu-migratiepact vanuit juridisch en praktisch perspectief.
• De belangrijkste regels, belangen en knelpunten worden in begrijpelijke taal uitgelegd.
• Ook wordt besproken wat het onderwerp betekent voor beleid, uitvoering en mensen in migratieprocedures.

Nederlandse rechters en het EU-Migratiepact

Sinds 12 juni 2026 geldt in Nederland een vrijwel geheel vernieuwd Europees asielstelsel. De oude Europese asielrichtlijnen zijn voor een groot deel vervangen door rechtstreeks toepasselijke verordeningen. De Nederlandse Vreemdelingenwet en het Vreemdelingenbesluit zijn aangepast, nieuwe procedures zijn ingevoerd en bestaande begrippen hebben een andere juridische betekenis gekregen. Voor Nederlandse rechters betekent dit veel meer dan het toepassen van enkele nieuwe artikelen. Zij moeten bepalen hoe het omvangrijke EU-Migratiepact in concrete zaken moet functioneren en waar de grenzen van de nieuwe regels liggen.

Het Europese rechtskader voor Nederlandse rechters

Het Pact bestaat uit negen verordeningen en één richtlijn. Het regelt onder meer screening aan de grens, de asielprocedure, de voorwaarden voor internationale bescherming, opvang, Eurodac, grensprocedures, terugkeer en de verdeling van verantwoordelijkheid tussen lidstaten. De meeste onderdelen werden op 12 juni 2026 van toepassing. De nieuwe Asiel- en Migratiebeheerverordening, die de vroegere Dublinregels vervangt, geldt sinds 1 juli 2026. Nederland heeft de Europese regels aangevuld met de Uitvoerings- en implementatiewet en het Uitvoerings- en implementatiebesluit Asiel- en migratiepact 2026. [1] [2] [3]

Veel regels uit het Pact zijn rechtstreeks toepasselijk. Dat betekent dat zij niet eerst volledig in een Nederlandse wet hoeven te worden overgeschreven voordat een asielzoeker, advocaat of rechter zich erop kan beroepen. De Nederlandse wetgever moest wel nationale autoriteiten aanwijzen, procedures organiseren, rechtsmiddelen regelen en gebruikmaken van de beleidsruimte die sommige verordeningen aan de lidstaten laten.

De Nederlandse rechter moet daardoor steeds onderscheid maken tussen drie soorten regels. Sommige regels worden rechtstreeks door een Europese verordening bepaald. Andere onderwerpen worden ingevuld door de Nederlandse Vreemdelingenwet en het Vreemdelingenbesluit. Weer andere eisen vloeien voort uit hogere grondrechten, zoals het EU-Handvest, het Vluchtelingenverdrag en het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens.

Wanneer een Nederlandse regel in strijd is met een rechtstreeks werkende regel van het Unierecht, moet de rechter voorrang geven aan het Unierecht. De nationale bepaling wordt dan in de concrete zaak buiten toepassing gelaten. De rechter hoeft niet te wachten totdat de wetgever de Nederlandse regel formeel wijzigt. Dat volgt uit het beginsel van voorrang van het Unierecht en de vaste rechtspraak van het Hof van Justitie. [4]

Die rol is onder het Migratiepact bijzonder belangrijk. Het Pact probeert de nationale asielstelsels verder te harmoniseren. Wanneer Nederland een Europese procedure toch op een afwijkende manier organiseert, moet de rechter onderzoeken of daarvoor werkelijk ruimte bestaat. Dat geldt bijvoorbeeld voor beroepstermijnen, bewaring, toegang tot het dossier, de toepassing van grensprocedures en de rechten van kwetsbare asielzoekers.

De Nederlandse rechterlijke route

De eerste rechter in een Nederlandse asielzaak is doorgaans de rechtbank. Zij beoordeelt onder meer beroepen tegen de afwijzing van een asielaanvraag, een overdrachtsbesluit, een terugkeerbesluit of een maatregel van vreemdelingenbewaring. Hoger beroep wordt in veel vreemdelingenzaken behandeld door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Deze taakverdeling is niet veranderd door het Pact. De regels waartegen wordt getoetst zijn echter ingrijpend gewijzigd. De rechtbank moet daarom vaak als eerste uitleg geven aan nieuwe begrippen en procedures. De Afdeling bestuursrechtspraak moet vervolgens zorgen voor een zo veel mogelijk uniforme Nederlandse rechtspraktijk.

Prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie

Wanneer niet duidelijk is hoe een Europese bepaling moet worden uitgelegd, kunnen Nederlandse rechters prejudiciële vragen stellen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie. De Nederlandse procedure wordt dan aangehouden totdat het Hof in Luxemburg de Europese rechtsvraag heeft beantwoord. De Nederlandse rechter beslist daarna de individuele zaak, maar moet daarbij de uitleg van het Hof volgen. [5]

De prejudiciële procedure zal bij de uitvoering van het Migratiepact waarschijnlijk een grote rol spelen. De voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak heeft voorafgaand aan de invoering gewaarschuwd dat het Pact een grootscheepse herijking van het asielrecht betekent. Processen moeten opnieuw worden ingericht, termijnen worden korter en veel nieuwe rechtsvragen moeten worden beantwoord. Volgens de Afdeling zal de asielrechtspraak deze vragen waar nodig aan het Hof van Justitie moeten voorleggen. [6]

Het gaat daarbij niet alleen om grote principiële vragen. Ook ogenschijnlijk technische begrippen kunnen duizenden zaken beïnvloeden. Wanneer begint een beroepstermijn? Wanneer is een aanvraag kennelijk ongegrond? Wanneer bestaat een onderduikrisico? Welke omstandigheden maken iemand kwetsbaar? Wanneer moet een grensprocedure worden beëindigd? Wat is een voldoende effectieve mogelijkheid om een overdracht te laten opschorten?

Een antwoord van het Hof van Justitie geldt niet alleen voor Nederland. Dezelfde bepaling moet daarna ook in andere lidstaten overeenkomstig het arrest worden toegepast. Een geschil tussen één asielzoeker en de Nederlandse minister kan daardoor de uitvoering van het Migratiepact in de hele Europese Unie beïnvloeden.

Nederlandse rechters hebben in het verleden al regelmatig belangrijke prejudiciële vragen over asielrecht gesteld. Nederlandse procedures leidden onder meer tot Europese arresten over subsidiaire bescherming in oorlogssituaties, seksuele gerichtheid als vervolgingsgrond, gezinshereniging van alleenstaande minderjarigen, rechterlijke toetsing van bewaring en het ambtshalve onderzoeken van non-refoulement. Die bestaande rechterlijke dialoog wordt onder het nieuwe Pact nog belangrijker.

Overgangsrecht: oud of nieuw recht?

Een van de eerste problemen waarmee rechters worden geconfronteerd, is het overgangsrecht. Niet iedere zaak die na 12 juni 2026 bij de rechtbank komt, valt volledig onder het nieuwe recht. Een asielaanvraag kan vóór 12 juni zijn ingediend, terwijl het besluit of beroep pas daarna volgt. Ook kunnen verschillende onderdelen van één zaak onder verschillende overgangsregels vallen.

De Nederlandse Rechtspraak vermeldt dat procedures over aanvragen die vóór 12 juni 2026 zijn ingediend in de meeste gevallen nog volgens het oude recht worden afgehandeld. De Uitvoerings- en implementatiewet kent daarnaast specifieke overgangsbepalingen. Wanneer vóór de invoering al een voornemen was uitgebracht, blijft voor dat onderdeel bijvoorbeeld de oude voornemen- en zienswijzeprocedure gelden. Voor al verleende asielvergunningen voor onbepaalde tijd en eerder opgelegde bewaringsmaatregelen bestaan eveneens afzonderlijke regels. [7]

De rechter moet dus eerst vaststellen welk recht van toepassing is voordat hij de inhoud van de zaak kan beoordelen. De datum van de aanvraag is belangrijk, maar niet altijd beslissend voor ieder onderdeel. Ook de datum van een gehoor, voornemen, besluit, overdrachtsmaatregel of inbewaringstelling kan relevant zijn.

Overgangsrecht lijkt technisch, maar kan grote gevolgen hebben. Het oude recht kan een andere procedure, beroepstermijn of vorm van rechtsbescherming bieden dan het nieuwe recht. Een verkeerde keuze van het toepasselijke regime kan betekenen dat iemand ten onrechte te laat wordt geacht, een procedurele mogelijkheid verliest of volgens het verkeerde beoordelingskader wordt gehoord.

Controle op de gekozen asielprocedure

Het nieuwe stelsel kent niet meer de oude Nederlandse Algemene Asielprocedure en Verlengde Asielprocedure. Daarvoor zijn onder meer een standaardbehandelingsprocedure en een verplichte versnelde procedure in de plaats gekomen. Daarnaast kan een aanvraag onder bepaalde voorwaarden in een asielgrensprocedure worden behandeld. [8]

De rechter moet controleren of de IND de juiste procedure heeft gekozen. De keuze voor een versnelde of grensprocedure is namelijk niet alleen organisatorisch. Zij kan gevolgen hebben voor de snelheid van het proces, de locatie waar iemand verblijft, de beschikbare voorbereidingstijd, het recht om op het grondgebied te blijven en de termijn waarbinnen beroep moet worden ingesteld.

Een aanvraag kan bijvoorbeeld versneld worden behandeld wanneer iemand afkomstig is uit een veilig land van herkomst, de autoriteiten heeft misleid, relevante informatie heeft achtergehouden of onder bepaalde voorwaarden afkomstig is uit een land met een laag Europees erkenningspercentage. De aanwezigheid van zo’n grond betekent echter niet dat de aanvraag automatisch moet worden afgewezen.

De rechter moet nagaan of de versnellingsgrond feitelijk en juridisch van toepassing is. Een gemiddeld laag erkenningspercentage zegt niets definitiefs over het individuele risico van een politieke activist, religieuze minderheid, lhbtiq+-persoon of slachtoffer van mensenhandel. Groepsinformatie kan de procedure beïnvloeden, maar mag de persoonlijke beoordeling niet vervangen.

Ook moet de rechter controleren of de IND rekening heeft gehouden met bijzondere procedurele behoeften. Een minderjarige, slachtoffer van foltering, persoon met psychische problemen of iemand die moeite heeft om zonder passende ondersteuning te verklaren, kan aanvullende waarborgen nodig hebben. Een procedure die op papier snel en efficiënt is, kan voor een kwetsbare aanvrager onzorgvuldig worden wanneer onvoldoende tijd, begeleiding of medische ondersteuning wordt geboden.

Volledige en actuele rechterlijke toetsing

De kern van de rechterlijke controle blijft artikel 47 van het EU-Handvest. Dat artikel garandeert een doeltreffende voorziening in rechte en een eerlijk proces. De Procedureverordening werkt dit voor asielzaken verder uit. Artikel 67 bepaalt tegen welke beslissingen beroep moet openstaan en verlangt dat de rechter een volledige en actuele beoordeling van de feiten en het recht kan uitvoeren. [9] [10]

Volledig betekent dat de rechter niet alleen controleert of de IND enkele formele stappen heeft gevolgd. Hij moet de relevante juridische en feitelijke aspecten van de zaak daadwerkelijk kunnen onderzoeken. Actueel, of ex nunc, betekent dat hij ook rekening houdt met relevante ontwikkelingen die na het besluit hebben plaatsgevonden.

Dat is in asielzaken essentieel. De veiligheidssituatie in een land kan na het besluit verslechteren. Een asielzoeker kan nieuwe bedreigingen ontvangen, zich politiek gaan uitspreken of nieuwe medische informatie verkrijgen. Wanneer de rechter uitsluitend naar de situatie op de datum van het IND-besluit kijkt, kan hij een juridisch correct oordeel geven over een werkelijkheid die inmiddels niet meer bestaat.

De Nederlandse Vreemdelingenwet verwijst sinds het Migratiepact uitdrukkelijk naar deze volledige en actuele toets. Artikel 83a bepaalt dat de toetsing door de rechtbank overeenkomstig artikel 67, derde lid, van de Procedureverordening plaatsvindt. [11]

De verplichting tot een volledige en actuele toetsing is niet volledig nieuw. Het Hof van Justitie legde deze eis al uit in onder meer het arrest Alheto. De nationale rechter moet relevante nieuwe feiten en rechtsontwikkelingen kunnen meenemen. Na vernietiging van een besluit moet een nieuw bestuursbesluit bovendien binnen korte tijd worden genomen en rekening houden met het rechterlijke oordeel. [12]

In Torubarov maakte het Hof duidelijk dat effectieve rechtsbescherming verder kan vereisen dat de rechter zelf ingrijpt wanneer een bestuursorgaan weigert gevolg te geven aan eerdere rechterlijke uitspraken. Een procedure is niet effectief wanneer de overheid na iedere vernietiging vrijwel hetzelfde besluit kan nemen en de asielzoeker steeds opnieuw moet procederen. [13]

Onder het Migratiepact kan deze rechtspraak extra belangrijk worden. De procedures moeten sneller worden, maar snelheid mag niet leiden tot een opeenvolging van onvoldoende gemotiveerde besluiten en vernietigingen. De rechter moet voorkomen dat korte termijnen uiteindelijk juist langere procedures veroorzaken.

Afschaffing van de voornemenprocedure

Nederland heeft bij de invoering van het Pact de voornemenprocedure bij de eerste beoordeling van een asielaanvraag afgeschaft. Voorheen ontving een asielzoeker doorgaans eerst een voornemen tot afwijzing en kon hij daarop met een zienswijze reageren voordat het definitieve besluit werd genomen. Onder het nieuwe systeem kan de IND sneller direct beslissen.

De regering erkende tijdens de wetgevingsprocedure dat het schrappen van de voornemen- en zienswijzeprocedure ertoe kan leiden dat asielbesluiten meer onvolkomenheden bevatten en beroepen vaker gegrond worden verklaard, vooral in de eerste periode na invoering. De Raad van State waarschuwde eveneens dat deze keuze de druk op de rechtspraak kan vergroten. [14]

De mogelijkheid om correcties en aanvullingen op het verslag van het gehoor in te dienen is daardoor belangrijker geworden. Het Vreemdelingenbesluit bepaalt dat de minister de vreemdeling daartoe in de gelegenheid kan stellen. De regering heeft verklaard dat deze mogelijkheid in de regel wordt geboden, maar dat hiervan in bepaalde gevallen kan worden afgeweken. [15]

Voor rechters ontstaat dan een nieuwe vraag. Wanneer mocht de IND afzien van correcties en aanvullingen en wanneer heeft dat de zorgvuldigheid van het besluit aangetast? Wanneer onduidelijkheden, vertaalfouten of onvolledigheden in het gehoorverslag een belangrijke rol spelen bij de geloofwaardigheidsbeoordeling, kan het ontbreken van een effectieve correctiemogelijkheid zwaar wegen.

De rechter kan de bestuurlijke voorbereiding echter niet volledig vervangen. Het uitgangspunt blijft dat de IND zelf een zorgvuldig besluit moet nemen. Een bestuursorgaan mag geen onvolledig onderzoek verrichten in de verwachting dat ontbrekende feiten later tijdens het beroep wel door de rechter worden uitgezocht.

Opnamen als nieuw bewijsmiddel

Het Pact verandert ook het bewijs dat de rechtbank kan gebruiken. De Nederlandse wet bepaalt nu uitdrukkelijk dat een opname van het persoonlijk onderhoud of een schriftelijke weergave daarvan als bewijs in de beroepsprocedure kan worden toegelaten. [16]

Dat kan de controle verbeteren. Bij een geschil over de vraag wat tijdens het gehoor precies is gezegd, hoe een vraag is vertaald of hoeveel gelegenheid iemand kreeg om uitleg te geven, hoeft de rechter niet uitsluitend op een samenvattend verslag te vertrouwen.

Tegelijkertijd roept opname nieuwe vragen op. Moet de rechtbank de gehele opname beluisteren of bekijken? Hoe wordt omgegaan met slechte geluidskwaliteit, verschillen tussen de opname en het verslag of informatie die in een samenvatting ontbreekt? Hoe krijgt de advocaat tijdig toegang tot het materiaal? En hoeveel gewicht mag worden toegekend aan stiltes, emoties of non-verbaal gedrag?

Een opname maakt een gehoor niet automatisch objectief. Een asielzoeker kan getraumatiseerd, angstig of uitgeput zijn. De wijze waarop vragen worden gesteld en vertaald blijft belangrijk. De rechter moet daarom voorkomen dat technische beschikbaarheid van een opname verandert in een nieuwe vorm van schijnzekerheid.

Korte beroepstermijnen en voorlopige voorzieningen

De termijnen voor rechtsbescherming zijn onder het nieuwe stelsel kort. Bij bepaalde besluiten, zoals niet-ontvankelijkverklaringen, kennelijk ongegronde aanvragen en sommige buitenbehandelingstellingen, bedraagt de beroepstermijn één week. Bij een gewone ongegrondverklaring en bepaalde andere asielbesluiten bedraagt de termijn twee weken. Voor hoger beroep gelden eveneens verkorte termijnen. [17]

Deze termijnen dienen het doel van snelle procedures. Zij vergroten echter de verantwoordelijkheid van rechtbanken, advocaten en de IND. Een asielzoeker moet het besluit tijdig ontvangen en begrijpen. Een advocaat moet snel toegang hebben tot het volledige dossier en de gronden van beroep kunnen formuleren. De rechtbank moet de zaak vervolgens zorgvuldig behandelen binnen vaak korte uitspraaktermijnen.

De voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak heeft vooraf gewaarschuwd dat het halveren van de beroepstermijn in de standaardprocedure en het verkorten van uitspraaktermijnen een extra belasting voor de rechtspraak vormen. Volgens haar kan een combinatie van korte termijnen, minder bestuurlijke procedurestappen en beperkte rechtsbijstand een ontwrichtend effect hebben op de rechtsbescherming. [18]

Een korte termijn is niet automatisch in strijd met artikel 47 van het Handvest. De termijn moet wel praktisch voldoende zijn om effectief beroep te kunnen instellen. De rechter zal daarom moeten letten op factoren als de beschikbaarheid van een advocaat, vertaling van het besluit, toegang tot het dossier, de complexiteit van de zaak en de situatie van kwetsbare personen.

Een andere belangrijke vraag is of iemand zijn beroep in Nederland mag afwachten. In veel asielzaken heeft beroep automatisch schorsende werking. In andere categorieën moet binnen een zeer korte termijn een voorlopige voorziening worden gevraagd om uitzetting te voorkomen. De Nederlandse wet verwijst hierbij rechtstreeks naar artikel 68 van de Procedureverordening. [19]

De voorzieningenrechter krijgt daardoor een centrale rol. Hij moet soms binnen zeer korte tijd beoordelen of de asielzoeker in Nederland mag blijven totdat de rechtbank op het beroep heeft beslist. Die voorlopige beoordeling kan in de praktijk beslissend zijn. Wanneer de persoon al is verwijderd, kan een later gegrond beroep het oorspronkelijke gevaar of de scheiding van het gezin niet altijd herstellen.

Een voorlopige voorziening mag daarom niet veranderen in een oppervlakkige formaliteit. De rechter moet voldoende informatie hebben om het risico op refoulement en de effectiviteit van het beroep te beoordelen. Vooral wanneer een persoon naar een land dreigt te worden verwijderd waar ernstige schade kan ontstaan, is daadwerkelijke rechterlijke controle vóór de verwijdering noodzakelijk.

Overdrachten en wederzijds vertrouwen

Bij overdrachten aan een andere Europese lidstaat geldt sinds 1 juli 2026 de Asiel- en Migratiebeheerverordening. Deze vervangt het Dublinsysteem, maar behoudt het uitgangspunt dat één lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag. Tegen een overdrachtsbesluit moet een effectief rechtsmiddel openstaan.

In Nederland moet een verzoek om voorlopige voorziening tegen een overdrachtsbesluit gelijktijdig met het beroepschrift worden ingediend wanneer de betrokkene de uitvoering wil laten opschorten. Doet hij dat niet, dan wordt de overdracht niet uitsluitend door het beroep automatisch stilgelegd. De voorzieningenrechter moet in beginsel binnen een maand over het verzoek beslissen. [20]

Nederlandse rechters zullen moeten uitleggen hoe de nieuwe verantwoordelijkheidscriteria zich verhouden tot bestaande rechtspraak over wederzijds vertrouwen. Het Hof van Justitie heeft in N.S. en M.E. vastgesteld dat lidstaten niet blind mogen aannemen dat iedere andere lidstaat de grondrechten respecteert. Een overdracht is verboden wanneer zwaarwegende gronden bestaan om aan te nemen dat de betrokkene een reëel risico loopt op onmenselijke of vernederende behandeling. [21]

In C.K. maakte het Hof duidelijk dat ook een individueel gezondheidsrisico een overdracht kan blokkeren, zelfs wanneer het asiel- en opvangstelsel van de andere lidstaat niet algemeen structureel tekortschiet. In Jawo formuleerde het Hof een hoge drempel voor situaties waarin iemand na overdracht in extreme materiële armoede dreigt terecht te komen. [22] [23]

Deze rechtspraak is ontwikkeld onder het oude Dublinsysteem, maar de fundamentele beginselen uit het EU-Handvest blijven ook onder de nieuwe verordening gelden. Nederlandse rechters zullen moeten bepalen welke onderdelen rechtstreeks kunnen worden voortgezet en op welke punten de nieuwe tekst een aangepaste benadering verlangt.

Ook familiebanden worden belangrijker bij de verantwoordelijkheidsverdeling. De rechter moet controleren of de IND voldoende heeft onderzocht of een partner, ouder, kind, broer, zus of ander relevant familielid in een andere lidstaat aanwezig is. Bij minderjarigen moet het belang van het kind een primaire overweging zijn.

Een Eurodac-hit kan ondersteunen dat iemand eerder in een andere lidstaat is geregistreerd, maar neemt de rechterlijke beoordeling niet over. De rechter moet kunnen onderzoeken wat voor soort registratie is gevonden, of de gegevens juist zijn en welke juridische gevolgen eraan mogen worden verbonden. Een biometrische match zegt niet automatisch dat een overdracht mogelijk of veilig is.

Grensprocedures, bewaring en ambtshalve toetsing

De grensprocedure vormt waarschijnlijk een van de belangrijkste terreinen voor nieuwe rechtspraak. De Procedureverordening bepaalt onder welke voorwaarden een aanvraag aan de buitengrens kan worden behandeld en wanneer de procedure moet worden beëindigd. In Nederland kan de procedure plaatsvinden op aangewezen locaties en kan zij gepaard gaan met vrijheidsontneming.

De rechter moet daarbij meerdere vragen uit elkaar houden. Was de grensprocedure op deze persoon van toepassing? Werd binnen de maximale termijn beslist? Was sprake van een uitzondering wegens leeftijd, kwetsbaarheid of bijzondere procedurele behoeften? Was verblijf op de locatie juridisch detentie of slechts een beperking van beweging? En was voortduring van de vrijheidsontneming noodzakelijk en evenredig?

De juridische fictie dat iemand tijdens een grensprocedure nog niet tot het grondgebied is toegelaten, plaatst hem niet buiten de bescherming van het Handvest en het EVRM. De overheid mag een procedure aan de grens organiseren, maar de rechter moet blijven toetsen of de feitelijke behandeling, bewaring en verwijdering rechtmatig zijn.

De Nederlandse wet bevat sinds het Pact strikte termijnen voor de rechterlijke controle van bewaring. De rechtbank moet in beginsel binnen vijftien dagen na oplegging uitspraak doen, of binnen maximaal eenentwintig dagen in uitzonderlijke omstandigheden. Wanneer binnen die uiterste termijn geen uitspraak is gedaan, moet de maatregel worden opgeheven. [24]

Korte termijnen zijn bij vrijheidsontneming begrijpelijk. Iedere dag onrechtmatige bewaring is een ernstige inbreuk op de persoonlijke vrijheid. Tegelijkertijd moet de rechtbank binnen die termijn het dossier ontvangen, een zitting organiseren, zo nodig een tolk regelen en de feitelijke en juridische gronden onderzoeken.

De rechter mag zich daarbij niet beperken tot de beroepsgronden van de advocaat. Het Hof van Justitie heeft in de gevoegde zaken C-704/20 en C-39/21 bepaald dat de rechter uit eigen beweging moet onderzoeken of aan alle voorwaarden voor bewaring is voldaan. Wanneer de maatregel onrechtmatig blijkt, moet de persoon onmiddellijk worden vrijgelaten. [25]

Die ambtshalve taak geldt ook wanneer de advocaat een gebrek niet heeft opgemerkt of door tijdsdruk onvoldoende heeft uitgewerkt. De rechter beschermt bij bewaring niet alleen de processuele positie van de vreemdeling, maar ook het fundamentele recht op vrijheid.

De Afdeling bestuursrechtspraak waarschuwde daarom dat extra druk op eerstelijns bewaringsrechters kan doorwerken in hoger beroep. Wanneer rechtbanken door tijdgebrek gebreken missen, zal de Afdeling mogelijk vaker zelf ambtshalve onderzoek moeten doen en maatregelen moeten vernietigen. [26]

De eerste uitvoeringsproblemen bij de rechter

De eerste uitspraken na 12 juni 2026 laten al zien hoe snel overgangs- en uitvoeringsproblemen bij de rechter terechtkomen. In een uitspraak van 25 juni 2026 constateerde de rechtbank Den Haag dat een bewaringsmaatregel nog sprak over het oude onderscheid tussen “zware” en “lichte” gronden, terwijl dat onderscheid sinds het Migratiepact was vervallen.

De rechtbank stelde vast dat het gebruikte model nog niet volledig aan het nieuwe recht was aangepast. Omdat de inhoudelijke feiten volgens de rechtbank wel voldeden aan het nieuwe beoordelingskader en het onderduikrisico voldoende was gemotiveerd, passeerde zij het gebrek en liet zij de bewaring in stand. De uitspraak laat zien dat de rechter al direct na de invoering moet onderscheiden tussen een onschuldige fout in oude terminologie en een gebrek dat de rechtspositie daadwerkelijk aantast. [27]

Een toekomstige zaak kan anders uitvallen. Wanneer het gebruik van een oud model ertoe leidt dat verkeerde wettelijke criteria zijn toegepast, geen individuele beoordeling is gemaakt of onvoldoende is gemotiveerd waarom een lichter middel niet volstaat, kan het gebrek niet zonder meer worden gepasseerd.

Non-refoulement en de koppeling met terugkeer

Ook non-refoulement moet de rechter soms ambtshalve onderzoeken. In het Nederlandse arrest Ararat oordeelde het Hof van Justitie dat de autoriteit vóór uitvoering van een terugkeerbesluit opnieuw moet controleren of verwijdering verenigbaar is met het verbod op refoulement. De nationale rechter moet een mogelijke schending uit eigen beweging onderzoeken wanneer de informatie in het dossier daar aanleiding toe geeft. [28]

In Adrar werd deze lijn verder verbonden aan vreemdelingenbewaring. Wanneer iemand wordt vastgehouden met het oog op verwijdering, moet de rechter kunnen onderzoeken of die verwijdering juridisch werkelijk uitvoerbaar is. Een definitief terugkeerbesluit neemt niet weg dat nieuwe omstandigheden een actueel risico op refoulement kunnen veroorzaken. [29]

Onder het Migratiepact worden asiel- en terugkeerbesluiten nauwer op elkaar aangesloten. Een negatieve asielbeslissing kan snel worden gevolgd of vergezeld door een terugkeerbesluit. Voor de rechter betekent dit dat procedurele snelheid niet mag leiden tot een gat tussen de beoordeling van het asielverzoek en de controle op de feitelijke verwijdering.

Het arrest Gnandi blijft hierbij relevant. Het Hof van Justitie accepteerde dat een terugkeerbesluit onder voorwaarden al na een afwijzende asielbeslissing kan worden vastgesteld. De gevolgen daarvan mogen echter niet zo worden uitgevoerd dat het beroep tegen de asielafwijzing zijn effectiviteit verliest. [30]

Veilige landen vereisen individuele toetsing

Rechters moeten ook gaan bepalen hoe de nieuwe regels over veilige landen worden toegepast. De Procedureverordening bevat regels over veilige landen van herkomst en veilige derde landen. Een veilige-landenaanwijzing kan een vermoeden creëren en een snellere procedure rechtvaardigen, maar mag niet betekenen dat de individuele omstandigheden niet meer worden onderzocht.

Bij een veilig derde land is bovendien van belang of de persoon werkelijk toegang krijgt tot dat land, daar bescherming kan aanvragen en beschermd is tegen verdere verwijdering naar gevaar. Een theoretische mogelijkheid of een algemene diplomatieke verklaring is niet noodzakelijk voldoende.

Nederlandse rechters moeten daarom niet alleen kijken of een land op een Europese of nationale lijst staat. Zij moeten ook beoordelen of de IND het juiste juridische criterium heeft toegepast, relevante tegeninformatie heeft onderzocht en de individuele bezwaren van de asielzoeker serieus heeft meegewogen.

Screening en Eurodac als nieuwe geschilpunten

De nieuwe Screeningsverordening brengt eveneens vragen voor de rechter mee. Tijdens screening worden onder meer identiteit, veiligheid, gezondheid en kwetsbaarheid onderzocht. Nederland heeft de IND en bij grensscreening de Koninklijke Marechaussee als belangrijke screeningsautoriteiten aangewezen. Ook is een onafhankelijk toezichtmechanisme ingesteld, waaraan onder meer het College voor de Rechten van de Mens deelneemt. [31]

De screening eindigt met een formulier en doorverwijzing naar een vervolgprocedure. Niet iedere handeling tijdens screening is noodzakelijk een zelfstandig appellabel besluit. Dat betekent echter niet dat fouten juridisch zonder gevolgen blijven.

Wanneer een onjuiste screening leidt tot plaatsing in een verkeerde procedure, het missen van kwetsbaarheid, onrechtmatige vrijheidsbeperking of een onjuiste veiligheidskwalificatie, kan de rechter die gevolgen in een latere procedure beoordelen. Rapporten van het onafhankelijke toezichtmechanisme kunnen daarbij belangrijke informatie leveren over structurele problemen in de praktijk.

Ook gegevensverwerking zal onderdeel worden van rechtszaken. Eurodac bevat sinds juni 2026 meer biometrische en biografische gegevens en registreert meer categorieën personen. Een foutieve registratie kan gevolgen hebben voor de procedure, verantwoordelijkheid en terugkeer.

De rechter zal moeten onderzoeken of een Eurodac-hit correct is geïnterpreteerd, of de informatie bij de juiste persoon hoort en of de betrokkene voldoende gelegenheid heeft gekregen om daarop te reageren. Wanneer iemand stelt dat naam, leeftijd, nationaliteit of registratiedatum onjuist is, mag de overheid de databank niet zonder verdere beoordeling als onweerlegbare waarheid behandelen.

Gezinshereniging en nationale beleidsruimte

Het Migratiepact zal daarnaast leiden tot nieuwe vragen over gezinshereniging en het verschil tussen de vluchtelingenstatus en subsidiaire bescherming. Nederland heeft bij de implementatie gekozen voor een tweestatusstelsel. De rechtspositie van beide groepen is daardoor niet op ieder punt hetzelfde.

De rechter zal moeten controleren of verschillen die Nederland aanbrengt werkelijk binnen de Europese beleidsruimte blijven. Daarbij zijn het recht op gezinsleven, het discriminatieverbod, de bijzondere positie van personen die niet naar hun land kunnen terugkeren en het belang van kinderen relevant.

De Afdeling advisering van de Raad van State waarschuwde bijvoorbeeld dat een strenger middelenvereiste voor subsidiair beschermden bij gezinshereniging onvoldoende was gemotiveerd. Anders dan reguliere migranten kunnen zij niet eenvoudig terugkeren om het gezinsleven in het land van herkomst uit te oefenen. [32]

Dergelijke keuzes zullen uiteindelijk in individuele zaken aan de rechter worden voorgelegd. De rechter beoordeelt dan niet of hij politiek een ander beleid zou hebben gekozen. Hij onderzoekt of het verschil binnen de Europese regels blijft, een legitiem doel heeft en evenredig is.

Capaciteit, uniforme rechtspraak en prejudiciële motivering

Capaciteit vormt daarbij een rechtsstatelijk probleem. Het Pact verlangt snelle procedures van de IND, maar ook snelle rechterlijke beslissingen. Tegelijkertijd moeten rechters nieuwe wetgeving bestuderen, tegenstrijdige overgangsregels oplossen, actuele landeninformatie beoordelen en waar nodig prejudiciële vragen stellen.

De Raad voor de rechtspraak en de Raad van State hebben vooraf herhaaldelijk gewaarschuwd voor overbelasting. Vooral de combinatie van het Pact met aanvullende Nederlandse maatregelen, zoals kortere termijnen, het tweestatusstelsel, de afschaffing van nationale procedurestappen en nieuwe bewaringsregels, zou de werklast vergroten. [33]

Een snelle rechterlijke uitspraak is waardevol. Maar snelheid is alleen rechtsbescherming wanneer de rechter voldoende tijd heeft om het dossier werkelijk te onderzoeken. Een uitspraak die snel wordt gedaan maar een grondrechtenrisico mist, bereikt het tegenovergestelde van effectieve rechtsbescherming.

Het risico bestaat dat korte termijnen leiden tot een meer gestandaardiseerde rechtspraak. Veel zaken zullen vergelijkbare procedurele vragen bevatten. Toch moet iedere zaak individueel worden beoordeeld. Het gebruik van vaste beoordelingskaders mag niet veranderen in automatische afwijzing van persoonlijke argumenten.

Tegelijkertijd is uniforme rechtspraak belangrijk. Wanneer verschillende zittingsplaatsen dezelfde Europese regel anders uitleggen, ontstaat rechtsongelijkheid. De Afdeling bestuursrechtspraak zal daarom snel duidelijkheid moeten bieden over terugkerende vragen. Waar de Europese tekst onvoldoende duidelijk is, moet zij prejudiciële vragen stellen.

Het arrest Remling versterkt de motiveringsplicht wanneer de hoogste nationale rechter besluit geen vraag aan het Hof van Justitie te stellen. Wanneer een procespartij een serieuze Europese rechtsvraag opwerpt, moet zichtbaar worden waarom de Afdeling meent dat verwijzing niet nodig is. [34]

Dat is onder het Migratiepact extra relevant. In de eerste jaren zullen advocaten regelmatig betogen dat een nieuwe bepaling onduidelijk is. De Afdeling hoeft niet iedere voorgestelde vraag te stellen, maar moet wel inzichtelijk maken waarom het Europese recht volgens haar voldoende duidelijk is.

De dubbele taak van Nederlandse rechters

Nederlandse rechters hebben dus een dubbele taak. Zij moeten de snelheid en harmonisatie die het Pact beoogt mogelijk maken, maar tegelijkertijd voorkomen dat efficiëntie ten koste gaat van individuele beoordeling en grondrechten.

Zij moeten ruimte laten voor Europees en nationaal migratiebeleid, maar ingrijpen wanneer een procedure buiten de grenzen van het Handvest treedt. Zij moeten wederzijds vertrouwen tussen lidstaten respecteren, maar mogen niet blind zijn voor concrete risico’s. Zij moeten databanken en technische registraties serieus nemen, maar niet als onweerlegbaar bewijs behandelen.

Ook moeten zij de verschillende fases van het migratieproces met elkaar verbinden. Een fout tijdens screening kan gevolgen hebben voor de asielprocedure. Een onjuiste procedurekeuze kan de beroepstermijn beïnvloeden. Een gebrekkige asielbeoordeling kan doorwerken in het terugkeerbesluit. Een onuitvoerbare verwijdering kan de rechtmatigheid van bewaring aantasten.

Het Pact presenteert migratiebeheer als een keten van screening, registratie, procedure, verantwoordelijkheid en terugkeer. De rechter moet ervoor zorgen dat rechtsbescherming dezelfde keten volgt. Grondrechten mogen niet verdwijnen in de overgang van de ene autoriteit of procedure naar de andere.

De eerste periode na 12 juni 2026 zal daarom waarschijnlijk veel uiteenlopende uitspraken opleveren. Rechtbanken zullen verschillende nieuwe regels voor het eerst toepassen. De Afdeling bestuursrechtspraak zal lijnen moeten ontwikkelen en het Hof van Justitie zal vragen krijgen over de Europese uitleg.

Niet iedere uitspraak zal onmiddellijk definitieve duidelijkheid bieden. Sommige zaken zullen sterk afhangen van hun feiten. Andere uitspraken kunnen later door de Afdeling of het Hof van Justitie worden gecorrigeerd of verfijnd.

Juist daarom is het belangrijk om de Nederlandse rechtspraak over het Migratiepact nauwgezet te volgen. Een enkele uitspraak over een foutief bewaringsmodel kan zichtbaar maken dat de uitvoeringspraktijk nog niet is aangepast. Een arrest over een beroepstermijn kan bepalen of duizenden asielzoekers daadwerkelijk toegang tot de rechter houden. Een prejudiciële vraag kan de uitleg van een nieuwe verordening in alle lidstaten veranderen.

Mijn conclusie is dat Nederlandse rechters geen uitvoerders aan de zijlijn van het EU-Migratiepact zijn. Zij behoren tot de centrale instellingen die bepalen hoe het Pact in de praktijk functioneert.

Het Europees Parlement en de Raad hebben de nieuwe regels vastgesteld. De Nederlandse wetgever heeft de nationale keuzes gemaakt. De IND, Marechaussee, politie, COA en andere instanties voeren het stelsel uit. Maar de rechter bepaalt in concrete zaken of die uitvoering binnen de wet, het EU-Handvest en de internationale mensenrechten blijft.

Daarbij zal de belangrijkste vraag niet alleen zijn of Nederland de procedures snel genoeg uitvoert. De belangrijkste vraag is of binnen die snelheid voldoende ruimte overblijft voor horen, bewijs, kwetsbaarheid, gezinsleven, non-refoulement en een effectief beroep.

Het Migratiepact wil meer eenheid en efficiëntie brengen. Nederlandse rechters moeten ervoor zorgen dat die eenheid niet neerkomt op uniforme fouten en dat efficiëntie niet verandert in minder rechtsbescherming.

Want een gemeenschappelijk Europees asielstelsel wordt niet alleen opgebouwd door regels die in Brussel worden aangenomen. Het wordt ook gevormd door de manier waarop nationale rechters die regels begrenzen, uitleggen en toepassen.

Bronnenlijst

[1] Europese Commissie, Asiel- en Migratiepact. Overzicht van de verschillende onderdelen van het Pact.

[2] Uitvoerings- en implementatiewet Asiel- en migratiepact 2026. De Nederlandse wet waarmee de Vreemdelingenwet en andere wetten zijn aangepast.

[3] Uitvoerings- en implementatiebesluit Asiel- en migratiepact 2026. Bevat de aanpassingen van onder meer het Vreemdelingenbesluit.

[4] Inwerkingtredingsbesluit van de Nederlandse uitvoeringswetgeving. Bepaalt dat de wet en het besluit op 12 juni 2026 in werking traden.

[5] Europese Unie, Artikel 47 EU-Handvest. Garandeert een doeltreffende voorziening in rechte en een eerlijk proces.

[6] Europese Unie, Artikel 267 VWEU. De juridische basis voor prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie.

[7] Verordening (EU) 2024/1348, Asielprocedureverordening. Regelt procedures, rechtsmiddelen, grensprocedures en schorsende werking.

[8] Verordening (EU) 2024/1351, Asiel- en Migratiebeheerverordening. Vervangt de Dublinverordening en regelt de verantwoordelijke lidstaat.

[9] Verordening (EU) 2024/1347, Kwalificatieverordening. Bevat de criteria voor vluchtelingenstatus en subsidiaire bescherming.

[10] Richtlijn (EU) 2024/1346, Herschikte Opvangrichtlijn. Regelt de opvang en rechtsmiddelen tegen beslissingen over opvangvoorzieningen.

[11] Verordening (EU) 2024/1356, Screeningsverordening. Bevat regels over screening en het onafhankelijke toezichtmechanisme.

[12] Verordening (EU) 2024/1358, Eurodac-verordening. Regelt de uitgebreide Europese databank voor asiel- en migratiebeheer.

[13] Verordening (EU) 2024/1349, Terugkeergrensprocedureverordening. Regelt terugkeer na afwijzing in de asielgrensprocedure.

[14] Raad van State, Advies over de Uitvoerings- en implementatiewet. Bespreekt onder meer de gevolgen voor uitvoering, rechtspraak en rechtsbescherming.

[15] Afdeling bestuursrechtspraak, Consultatiereactie op het voorstel voor implementatie van het Pact. Waarschuwt voor korte termijnen, extra werkdruk en nieuwe rechtsvragen.

[16] Raad voor de rechtspraak, Samenhang wetgevingsvoorstellen asiel onduidelijk. Over uitvoerbaarheid en de belasting van de rechtspraak.

[17] Rechtspraak, Asielaanvraag afgewezen. Actuele informatie over de procedures bij de rechtbank na 12 juni 2026.

[18] Rechtspraak, Procederen in asiel- en bewaringszaken. Beschrijft de nieuwe digitale formulieren en soorten beroep.

[19] Hof van Justitie, Alheto, zaak C-585/16. Over de volledige en actuele rechterlijke toets in asielzaken.

[20] Hof van Justitie, Torubarov, zaak C-556/17. Over effectieve rechtsbescherming wanneer het bestuur een rechterlijk oordeel niet uitvoert.

[21] Hof van Justitie, N.S. en M.E., gevoegde zaken C-411/10 en C-493/10. Over wederzijds vertrouwen en verboden overdrachten.

[22] Hof van Justitie, C.K. en anderen, zaak C-578/16 PPU. Over individuele gezondheidsrisico’s bij een Europese overdracht.

[23] Hof van Justitie, Jawo, zaak C-163/17. Over zeer vergaande materiële armoede na overdracht.

[24] Hof van Justitie, Gnandi, zaak C-181/16. Over de verhouding tussen asielberoep en terugkeerbesluit.

[25] Hof van Justitie, Ararat, zaak C-156/23. Over de actuele en ambtshalve toetsing van non-refoulement.

[26] Hof van Justitie, Adrar, zaak C-313/25 PPU. Over non-refoulement en rechterlijke toetsing van vreemdelingenbewaring.

[27] Hof van Justitie, Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, gevoegde zaken C-704/20 en C-39/21. Over ambtshalve rechterlijke toetsing van alle voorwaarden voor bewaring.

[28] Hof van Justitie, FMS en anderen, gevoegde zaken C-924/19 PPU en C-925/19 PPU. Over transitzones, detentie en effectieve rechterlijke bescherming.

[29] Hof van Justitie, Remling, zaak C-767/23. Over de motivering door een hoogste rechter wanneer geen prejudiciële vraag wordt gesteld.

[30] Rechtbank Den Haag, ECLI:NL:RBDHA:2026:17215. Een van de eerste gepubliceerde uitspraken waarin de rechtbank een bewaringsmaatregel aan de sinds 12 juni 2026 geldende regels toetste.

[31] Raad van State, Minister mocht beslistermijn voor asielverzoeken niet met negen maanden verlengen. Voorbeeld van prejudiciële samenwerking en rechterlijke controle op beroep op bestuurlijke druk.

[32] Raad van State, Advies over het Uitvoerings- en implementatiebesluit. Bespreekt onder meer bewaring, correcties op gehoren, gezinshereniging en gegevensverstrekking.