In het kort - Leestijd: 9 minuten
• Het EHRM beoordeelt of staten het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens naleven.
• In migratiezaken spelen vooral bescherming tegen mishandeling, detentie, gezinsleven en effectieve rechtsmiddelen.
• Het Hof bepaalt niet het volledige migratiebeleid, maar stelt wel mensenrechtelijke ondergrenzen.
Het Europees Hof voor de Rechten van de Mens en migratie
Het Europees Hof voor de Rechten van de Mens heeft in de afgelopen decennia een centrale rol gekregen binnen het Europese migratierecht. Het Hof beslist niet hoeveel migranten een land moet toelaten, welke nationaliteiten een visum nodig hebben of welke lidstaat een asielaanvraag moet behandelen. Toch heeft zijn rechtspraak bepaald waar grenscontrole, uitzetting, detentie en opvang hun mensenrechtelijke grens bereiken.
Het EHRM en het verschil met het Hof van Justitie
Het Europees Hof voor de Rechten van de Mens, meestal afgekort als EHRM, is gevestigd in Straatsburg. Het Hof ziet toe op de naleving van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens door de staten die partij zijn bij dat verdrag. Het maakt deel uit van de Raad van Europa en niet van de Europese Unie. Het moet daarom niet worden verward met het Hof van Justitie van de Europese Unie in Luxemburg. [1] [2]
Het Hof van Justitie legt het recht van de Europese Unie uit, waaronder het EU-Handvest en de Europese asielverordeningen. Het EHRM beoordeelt of staten het EVRM hebben geschonden. In migratiezaken kunnen beide rechtsstelsels tegelijkertijd van belang zijn. Een nationale rechter kan bijvoorbeeld Europese asielwetgeving toepassen en daarbij zowel het EU-Handvest als het EVRM betrekken. De gezamenlijke editie uit 2026 van het Europese handboek over asiel, grenzen en immigratie laat zien hoe sterk beide rechtsstelsels inmiddels met elkaar verweven zijn. [3]
De Europese Unie zelf is op dit moment nog geen partij bij het EVRM. Daardoor kan iemand niet rechtstreeks bij het EHRM klagen over een handeling van de Europese Commissie, Frontex of een andere EU-instelling als zodanig. Wel kan een klacht worden ingediend tegen een verdragsstaat die Europees recht uitvoert. Een lidstaat kan zich niet automatisch aan zijn verantwoordelijkheid onttrekken door te zeggen dat zijn optreden uit EU-recht voortvloeide. [4]
Geen vierde asielinstantie, wel mensenrechtenrechter
Het EHRM is geen immigratiedienst en evenmin een hoogste Europese asielrechter die iedere afwijzing opnieuw volledig beoordeelt. Het Hof onderzoekt of de behandeling van de persoon en de gevolgde procedure verenigbaar zijn met de rechten uit het EVRM.
Het EVRM bevat geen afzonderlijk artikel waarin een recht op asiel wordt gegarandeerd. Het verdrag verplicht staten dus niet rechtstreeks om iedere persoon die bescherming vraagt als vluchteling te erkennen. Volgens vaste rechtspraak hebben staten in beginsel het recht om de toegang, het verblijf en de uitzetting van vreemdelingen te controleren. [2]
Die bevoegdheid moet echter worden uitgeoefend binnen de rechten die het EVRM wel beschermt. Artikel 3 verbiedt foltering en onmenselijke of vernederende behandeling. Artikel 5 beschermt tegen willekeurige detentie. Artikel 8 beschermt het privéleven en het familie- en gezinsleven. Artikel 13 verlangt een effectief rechtsmiddel. Artikel 4 van Protocol nr. 4 verbiedt collectieve uitzettingen. Artikel 34 beschermt het recht om individueel een klacht bij het Hof in te dienen. [1]
Daardoor heeft het Hof zonder een letterlijk recht op asiel toch een omvangrijk systeem van bescherming rond migratie opgebouwd. Een staat hoeft niet iedere migrant toe te laten, maar mag iemand niet naar foltering sturen. Hij mag een vreemdeling onder voorwaarden detineren, maar niet zonder duidelijke wettelijke grond of rechterlijke controle. Hij mag gezinsherenigingsvoorwaarden stellen, maar moet daarbij soms rekening houden met bijzondere afhankelijkheid en de belangen van kinderen.
Rechtsmacht aan en buiten de territoriale grens
De invloed van het Hof begint met het beginsel dat mensenrechten in beginsel gelden voor iedereen die onder de rechtsmacht van een verdragsstaat valt. Nationaliteit en verblijfsstatus zijn daarvoor niet beslissend. Een asielzoeker, staatloze, irregulier verblijvende migrant of persoon tegen wie een uitzettingsbesluit is genomen, blijft drager van de rechten uit het EVRM.
Rechtsmacht is meestal territoriaal. Iemand die zich op het grondgebied van een staat bevindt, valt normaal gesproken onder diens rechtsmacht. In bijzondere omstandigheden kan een staat ook buiten zijn grondgebied verantwoordelijk zijn, bijvoorbeeld wanneer zijn autoriteiten feitelijke controle over een persoon uitoefenen.
Dat is vooral belangrijk bij grensoperaties op zee. Een staat kan niet aan het EVRM ontsnappen door migranten buiten zijn territoriale wateren te onderscheppen en onmiddellijk terug te sturen. Zodra personen onder de feitelijke en exclusieve controle van een staatsvaartuig of staatsfunctionarissen komen, kan het verdrag van toepassing zijn.
Hirsi Jamaa: mensenrechten op zee
Het bekendste voorbeeld is Hirsi Jamaa en anderen tegen Italië. Italiaanse marineschepen onderschepten migranten op de Middellandse Zee en brachten hen zonder individuele procedure naar Libië terug. Italië stelde onder meer dat de operatie buiten zijn grondgebied had plaatsgevonden. [21]
Het EHRM oordeelde dat de opvarenden onder Italiaanse rechtsmacht vielen omdat zij zich aan boord van Italiaanse militaire schepen en onder voortdurende controle van Italiaanse functionarissen bevonden. Italië had hen blootgesteld aan onmenselijke omstandigheden in Libië en aan het risico om vanuit Libië verder te worden gestuurd naar hun landen van herkomst. Ook was sprake van collectieve uitzetting.
De uitspraak maakte duidelijk dat de mensenrechtelijke grens niet noodzakelijk samenvalt met de geografische grens. Europese staten kunnen ook verantwoordelijk zijn voor handelingen op zee, in internationale zones en op andere plaatsen waar zij daadwerkelijk gezag over personen uitoefenen.
Artikel 3 EVRM en bescherming tegen uitzetting naar gevaar
De kern van de migratierechtspraak van het Hof ligt in artikel 3 EVRM. Dit artikel bepaalt dat niemand mag worden onderworpen aan foltering of aan een onmenselijke of vernederende behandeling of bestraffing. Het artikel noemt uitzetting niet. Het Hof heeft daaruit toch een verbod op verwijdering naar ernstig gevaar afgeleid. [5]
De basis daarvoor werd gelegd in Soering tegen het Verenigd Koninkrijk. Het Verenigd Koninkrijk wilde een verdachte uitleveren aan de Verenigde Staten, waar hij het risico liep ter dood te worden veroordeeld en langdurig onder zware omstandigheden in de dodencel te verblijven. [12]
Het Hof oordeelde dat een verdragsstaat verantwoordelijk kan zijn wanneer zijn eigen uitleveringsbesluit tot het voorzienbare gevolg leidt dat iemand in een ander land aan een behandeling in strijd met artikel 3 wordt blootgesteld. De verboden behandeling hoeft dus niet door de uitzettende staat zelf te worden uitgevoerd.
Dat beginsel geldt ook voor uitzetting en overdracht in migratiezaken. Een staat moet vóór de verwijdering onderzoeken of zwaarwegende gronden bestaan om aan te nemen dat de persoon in het bestemmingsland een reëel risico loopt op foltering of een onmenselijke of vernederende behandeling.
Het absolute karakter van artikel 3
Artikel 3 is absoluut. Wanneer het vereiste risico bestaat, kan de verwijdering niet worden gerechtvaardigd met een beroep op nationale veiligheid, openbare orde, kosten of het gedrag van de betrokkene.
In Chahal tegen het Verenigd Koninkrijk wilde de Britse regering een man uitzetten die zij als een bedreiging voor de nationale veiligheid beschouwde. Het Hof accepteerde niet dat het mogelijke gevaar dat de man voor het Verenigd Koninkrijk vormde werd afgewogen tegen het risico dat hij na terugkeer zou worden mishandeld. [13]
Ook in Saadi tegen Italië bevestigde het Hof dat zelfs een verdenking van betrokkenheid bij terrorisme niets verandert aan het absolute karakter van artikel 3. [14] Een staat mag strafrechtelijk vervolgen, toezicht houden of onder wettelijke voorwaarden detineren. Hij mag een persoon niet naar foltering sturen.
De bescherming hangt dus niet af van morele verdienste. Ook iemand die ernstige strafbare feiten heeft gepleegd, kan niet worden verwijderd wanneer hij in het bestemmingsland een reëel risico op een verboden behandeling loopt.
Een toekomstgerichte en actuele risicobeoordeling
De beoordeling van het risico is toekomstgericht. Het Hof vraagt niet alleen wat in het verleden is gebeurd, maar vooral wat waarschijnlijk na de verwijdering zal gebeuren. Daarbij moeten de omstandigheden worden beoordeeld zoals zij bestaan op het moment waarop over de verwijdering wordt beslist of deze wordt uitgevoerd.
Nieuwe ontwikkelingen kunnen daarom doorslaggevend zijn. Een land kan na een eerder asielbesluit onveiliger zijn geworden. Een politieke beweging kan aan de macht zijn gekomen, een oorlog kan zijn uitgebroken of nieuwe informatie kan aantonen dat teruggekeerde oppositieleden worden gearresteerd.
Het Hof gebruikt uiteenlopende informatiebronnen. Rapporten van de Verenigde Naties, UNHCR, de Raad van Europa, nationale overheden en betrouwbare maatschappelijke organisaties kunnen allemaal relevant zijn. De autoriteiten moeten beschikbare landeninformatie zorgvuldig en actueel beoordelen.
De verzoeker moet in beginsel feiten en informatie aandragen die aantonen dat een reëel risico kan bestaan. Wanneer hij voldoende concrete aanwijzingen heeft gegeven, moet de staat eventuele twijfel onderzoeken en overtuigend weerleggen.
In J.K. en anderen tegen Zweden verduidelijkte de Grote Kamer hoe deze bewijslast moet worden verdeeld. Eerdere mishandeling vormt een sterke aanwijzing voor toekomstig gevaar. Wanneer een persoon aannemelijk maakt dat hij eerder aan een behandeling in strijd met artikel 3 is blootgesteld, moet de overheid goede redenen geven waarom dat risico niet langer bestaat. [16]
Een asielzoeker kan niet altijd documenten overleggen. Bewijs kan zijn achtergelaten, vernietigd of nooit zijn afgegeven. Het kan bovendien gevaarlijk zijn om contact te zoeken met de autoriteiten van het land waarvoor iemand juist is gevlucht.
Ook trauma kan van invloed zijn op de manier waarop iemand vertelt. Een verklaring kan onvolledig, niet-chronologisch of op onderdelen wisselend zijn zonder dat het centrale gevaar daardoor automatisch ongeloofwaardig wordt.
Dat betekent niet dat het Hof iedere verklaring zonder bewijs accepteert. De verzoeker moet een coherent en voldoende onderbouwd begin van bewijs leveren. Het Hof onderzoekt vervolgens het geheel van de omstandigheden.
De onderzoeksplicht van de overheid
In F.G. tegen Zweden ging het om een Iraanse man die zich na zijn vertrek uit Iran tot het christendom had bekeerd. Hij had zijn bekering niet duidelijk als zelfstandige asielgrond aangevoerd. [15]
Het Hof oordeelde dat autoriteiten een mogelijk artikel 3-risico soms uit eigen beweging moeten onderzoeken wanneer zij bekend zijn met relevante feiten. De ernst en het absolute karakter van artikel 3 brengen mee dat een evident risico niet volledig buiten beschouwing mag blijven omdat de verzoeker het juridisch onjuist of onvolledig heeft gepresenteerd.
Indirect refoulement en veilige derde landen
Het EHRM onderzoekt niet alleen directe verwijdering naar het land waar het gevaar bestaat. Ook indirect of kettingrefoulement valt onder artikel 3.
Daarvan is sprake wanneer een persoon eerst naar een tussenland wordt gestuurd en vanuit dat land waarschijnlijk verder wordt verwijderd naar vervolging of mishandeling. Een Europese staat kan zijn verantwoordelijkheid niet ontwijken door een extra schakel tussen zichzelf en het uiteindelijke gevaar te plaatsen.
Deze regel is bijzonder belangrijk wanneer een asielaanvraag niet inhoudelijk wordt behandeld omdat een ander land als veilig derde land wordt beschouwd.
In Ilias en Ahmed tegen Hongarije waren twee asielzoekers naar Servië teruggestuurd nadat Hongarije Servië als veilig derde land had aangemerkt. Het Hof benadrukte dat een staat die een aanvraag niet zelf inhoudelijk onderzoekt, zorgvuldig moet beoordelen of het derde land een behoorlijke asielprocedure biedt en bescherming geeft tegen verdere verwijdering. [19]
De overheid mag niet alleen kijken naar wetten en verdragen op papier. Zij moet onderzoeken wat er in de praktijk gebeurt. Worden asielverzoeken werkelijk geregistreerd? Mag de persoon tijdens de procedure blijven? Is een effectief beroep beschikbaar? Bestaat een risico dat hij zonder onderzoek wordt doorgestuurd?
De zaak J.B. tegen Griekenland uit 2026 laat zien dat het EHRM niet iedere toepassing van het veilige-derde-landconcept afwijst. De zaak betrof de mogelijke terugkeer van een Syrische verzoeker vanuit Griekenland naar Türkiye onder de EU-Türkiyeverklaring. [20]
Het Hof stelde geen schending vast van artikel 13 in samenhang met artikel 3. De Griekse autoriteiten hadden volgens het Hof de persoonlijke risico’s, de omstandigheden in Türkiye, relevante rapporten en de bestaande waarborgen uitgebreid onderzocht. De verzoeker had juridische bijstand gekregen en kon de kwalificatie van Türkiye als veilig derde land voor zijn situatie voor de nationale rechter aanvechten. Het Hof stelde wel een schending vast vanwege zijn detentieomstandigheden.
Deze uitspraak onderstreept dat het Hof geen algemeen verbod op overdracht aan derde landen heeft ontwikkeld. De doorslaggevende vraag is of een serieuze, actuele en individuele beoordeling heeft plaatsgevonden.
Overdrachten tussen Europese staten
Het EHRM speelt ook een belangrijke rol bij overdrachten tussen Europese staten. Het feit dat beide landen partij zijn bij het EVRM, betekent niet dat de overdragende staat iedere verantwoordelijkheid verliest.
In M.S.S. tegen België en Griekenland droeg België een Afghaanse asielzoeker onder het Europese Dublinstelsel over aan Griekenland. Op dat moment bestond uitgebreide informatie over de ernstige tekortkomingen in de Griekse asielprocedure en opvang. [17]
De man leefde in Griekenland langdurig op straat, zonder behoorlijke toegang tot voedsel, sanitaire voorzieningen of een effectieve asielprocedure. Het Hof stelde vast dat Griekenland artikel 3 en artikel 13 had geschonden.
Ook België werd verantwoordelijk gehouden. De Belgische autoriteiten wisten of hadden moeten weten dat de man in Griekenland aan mensonwaardige omstandigheden en een gebrekkige procedure zou worden blootgesteld. Het enkele bestaan van Europese verantwoordelijkheidsregels was onvoldoende om de overdracht te rechtvaardigen.
De uitspraak doorbrak het idee dat Europese staten elkaar altijd blind mogen vertrouwen. Europese samenwerking blijft mogelijk, maar wederzijds vertrouwen moet wijken wanneer zwaarwegende informatie wijst op een werkelijk mensenrechtenrisico.
Kwetsbare gezinnen en individuele garanties
In Tarakhel tegen Zwitserland ging het om een Afghaans gezin met zes kinderen dat naar Italië zou worden overgedragen. Het Hof stelde niet vast dat iedere overdracht naar Italië verboden was. [18]
Vanwege de leeftijd van de kinderen, de kwetsbaarheid van het gezin en onzekerheid over de beschikbare opvang verlangde het Hof wel individuele garanties dat het gezin bij elkaar zou blijven en in geschikte omstandigheden zou worden ondergebracht.
De uitspraak laat zien dat algemene informatie over een land soms niet genoeg is. Een bestemming kan voor de meeste personen aanvaardbaar zijn en voor een bijzonder kwetsbaar gezin toch aanvullende garanties vereisen.
Collectieve uitzetting en pushbacks
Het verbod op collectieve uitzetting is opgenomen in artikel 4 van Protocol nr. 4 bij het EVRM. Een collectieve uitzetting vindt plaats wanneer een groep vreemdelingen wordt verwijderd zonder dat de persoonlijke omstandigheden van ieder groepslid redelijk en objectief zijn onderzocht. [9]
Het verbod betekent niet dat meerdere personen nooit tegelijkertijd mogen worden verwijderd. Een gezamenlijke vlucht of busrit is niet automatisch collectief. Beslissend is of ieder individu een echte mogelijkheid heeft gehad om persoonlijke argumenten tegen de verwijdering naar voren te brengen.
Een afzonderlijk formulier voor ieder groepslid is evenmin automatisch voldoende. Wanneer alle formulieren standaardteksten bevatten en niemand werkelijk is gehoord, kan de uitzetting nog steeds collectief zijn.
Hirsi Jamaa is een duidelijk voorbeeld. De onderschepte migranten werden zonder identificatie, individueel gesprek of onderzoek naar hun beschermingsbehoefte naar Libië gebracht. [21]
In M.K. en anderen tegen Polen ging het om personen die zich herhaaldelijk bij een officiële grenspost meldden en verklaarden dat zij bescherming wilden vragen. De Poolse autoriteiten stuurden hen telkens terug naar Belarus. [23]
Het Hof stelde schendingen vast van artikel 3, artikel 4 van Protocol nr. 4 en artikel 13. De nationale autoriteiten hadden hun verklaringen niet werkelijk onderzocht en hadden hen als groep volgens een terugkerende praktijk teruggestuurd.
Het Hof heeft het verbod op collectieve uitzetting echter niet absoluut uitgelegd. In N.D. en N.T. tegen Spanje ging het om twee personen die samen met een grote groep de grensafscheiding bij Melilla hadden beklommen en onmiddellijk naar Marokko waren teruggebracht. [22]
De Grote Kamer stelde in de bijzondere omstandigheden van die zaak geen schending vast. Zij achtte van belang dat volgens haar daadwerkelijk toegankelijke legale mogelijkheden bestonden om Spanje binnen te komen en bescherming te vragen en dat de verzoekers zonder overtuigende reden voor een gewelddadige groepsoverschrijding hadden gekozen.
De uitspraak heeft veel discussie veroorzaakt. Zij betekent niet dat irreguliere binnenkomst alle verdragsrechten opheft. Het absolute verbod op verwijdering naar foltering of onmenselijke behandeling blijft volledig bestaan. Bovendien kan de redenering alleen een rol spelen wanneer legale toegangswegen werkelijk en effectief beschikbaar zijn.
Recente pushbackzaken en het bewijsprobleem
Recente uitspraken laten zien dat pushbacks een belangrijk onderdeel van de Straatsburgse rechtspraak blijven. In M.A. en Z.R. tegen Cyprus onderschepten de Cypriotische autoriteiten Syrische vluchtelingen op zee en brachten hen terug naar Libanon zonder hun asielverzoeken en persoonlijke omstandigheden naar behoren te onderzoeken. [24]
Het Hof stelde vast dat Cyprus geen echte beoordeling had verricht van de toegang tot asiel, de leefomstandigheden in Libanon of het risico op verdere terugzending. Het stelde schendingen vast van artikel 3, artikel 4 van Protocol nr. 4 en artikel 13.
In H.T. tegen Duitsland en Griekenland werd een Syrische asielzoeker op de dag van zijn aankomst vanuit Duitsland naar Griekenland teruggestuurd op basis van een administratieve afspraak tussen beide landen. [25]
Het Hof oordeelde dat Duitsland onvoldoende had onderzocht of hij in Griekenland toegang zou krijgen tot een behoorlijke asielprocedure en beschermd zou zijn tegen refoulement. De zaak bevestigde dat een bilaterale afspraak geen vervanging kan vormen voor een individuele mensenrechtentoets. Het Hof beoordeelde daarnaast de omstandigheden en rechtmatigheid van zijn daaropvolgende detentie in Griekenland.
In A.R.E. tegen Griekenland uit 2025 oordeelde het Hof over een Turkse vrouw die stelde dat zij na haar aankomst in Griekenland zonder procedure naar Türkiye was teruggebracht. [26]
Het Hof vond sterke aanwijzingen voor het bestaan van een systematische pushbackpraktijk in het grensgebied bij de Evros en achtte haar individuele relaas voldoende onderbouwd. Omdat zij zonder beoordeling was teruggestuurd naar het land waarvoor zij juist was gevlucht, stelde het Hof een schending vast van artikel 3 en artikel 13.
Tegelijkertijd verklaarde het Hof op dezelfde dag de zaak G.R.J. tegen Griekenland niet-ontvankelijk. De verzoeker had volgens het Hof onvoldoende individueel bewijs geleverd dat de gestelde pushback daadwerkelijk met hem was gebeurd. Het mogelijke bestaan van een systematische praktijk ontsloeg hem niet volledig van de verplichting om een begin van bewijs over zijn eigen zaak te leveren.
Dit verschil laat zien hoe belangrijk bewijs in pushbackzaken is. Pushbacks vinden vaak plaats zonder schriftelijke besluiten, registraties of onafhankelijke getuigen. De betrokken personen kunnen hun telefoons, documenten en persoonlijke bezittingen zijn kwijtgeraakt.
Het Hof kan rekening houden met die moeilijke bewijspositie en met consistente rapporten over structurele praktijken. Het verlangt doorgaans nog steeds voldoende concrete aanwijzingen dat de individuele verzoeker zelf door de betrokken autoriteiten is behandeld zoals hij stelt.
Detentie onder artikel 5 EVRM
Naast uitzetting toetst het EHRM de detentie van migranten en asielzoekers aan artikel 5 EVRM. Dat artikel beschermt het recht op vrijheid en bevat een limitatieve lijst van situaties waarin iemand van zijn vrijheid mag worden beroofd. [6]
Artikel 5, lid 1, onder f, staat onder voorwaarden detentie toe om ongeoorloofde binnenkomst te voorkomen of wanneer een uitzettings- of uitleveringsprocedure loopt. Dat betekent niet dat iedere migrant zonder verblijfsrecht automatisch mag worden opgesloten.
De detentie moet een duidelijke wettelijke basis hebben, toegankelijk en voorzienbaar zijn en vrij blijven van willekeur. Er moet bovendien een voldoende nauw verband bestaan tussen de vrijheidsontneming en het immigratierechtelijke doel.
In Saadi tegen het Verenigd Koninkrijk accepteerde het Hof de kortdurende detentie van een asielzoeker in een centrum waar zijn aanvraag versneld werd behandeld. [27]
Het Hof keek onder meer naar de goede trouw van de autoriteiten, het verband met het doel van toegangscontrole, de beperkte duur en de omstandigheden van de detentie. Tegelijkertijd stelde het een schending vast omdat de werkelijke reden van de detentie niet snel genoeg aan de betrokkene was meegedeeld.
De uitspraak geeft staten enige ruimte om detentie bij binnenkomst te gebruiken, maar stelt geen algemene toestemming voor automatische asieldetentie vast. Het Unierecht kan bovendien strengere eisen stellen, zoals een individuele noodzakelijkheidstoets en onderzoek naar alternatieven.
In Khlaifia en anderen tegen Italië werden migranten na hun aankomst op Lampedusa vastgehouden in een opvangcentrum en later op schepen. De autoriteiten hadden geen formele detentiebesluiten genomen op basis van een voldoende duidelijke wettelijke regeling. [28]
Het Hof stelde een schending van artikel 5 vast. Grote aantallen aankomsten en organisatorische druk konden het ontbreken van een toegankelijke en voorzienbare wettelijke basis niet rechtvaardigen.
De zaak laat zien dat feitelijke opsluiting niet buiten artikel 5 valt doordat de locatie een opvangcentrum wordt genoemd. Het Hof kijkt naar de werkelijke mate van bewegingsvrijheid.
Artikel 5 verlangt ook snelle rechterlijke toetsing. Een gedetineerde migrant moet een rechter kunnen inschakelen die de rechtmatigheid inhoudelijk beoordeelt en zo nodig vrijlating kan bevelen.
In Suso Musa tegen Malta stelde het Hof vast dat de wettelijke basis en rechterlijke controle van langdurige asieldetentie onvoldoende bescherming tegen willekeur boden. [29] Een formele mogelijkheid om een klacht in te dienen is niet genoeg wanneer die procedure niet snel tot een inhoudelijke beslissing over de vrijheidsontneming kan leiden.
Kinderen en andere kwetsbare personen in detentie
Kinderen en andere kwetsbare personen krijgen bijzondere aandacht. In Rahimi tegen Griekenland was een niet-begeleide Afghaanse minderjarige onder slechte omstandigheden in vreemdelingendetentie geplaatst. [30]
Het Hof hield rekening met zijn leeftijd, het ontbreken van een vertegenwoordiger, de omstandigheden in het centrum en de gebrekkige informatie over zijn rechten. Het stelde schendingen vast van zowel artikel 3 als artikel 5.
Een korte detentie is dus niet automatisch rechtmatig. De duur moet worden beoordeeld in samenhang met leeftijd, kwetsbaarheid, omstandigheden en de vraag of de autoriteiten werkelijk naar alternatieven hebben gekeken.
Opvangomstandigheden en artikel 3 EVRM
Ook de materiële leefomstandigheden van asielzoekers kunnen onder artikel 3 vallen. Het EVRM bevat geen algemeen recht op huisvesting, inkomen of sociale bijstand. Armoede vormt daardoor niet zonder meer een verdragschending.
De drempel kan wel worden bereikt wanneer een asielzoeker volledig afhankelijk is van staatssteun, wettelijk recht heeft op opvang en door het optreden of nalaten van de autoriteiten langdurig niet in zijn meest elementaire behoeften kan voorzien.
In M.S.S. tegen België en Griekenland leefde de verzoeker maandenlang in extreme armoede en onzekerheid. Hij sliep op straat en had nauwelijks toegang tot eten en sanitaire voorzieningen. Het Hof benadrukte de bijzondere kwetsbaarheid van asielzoekers en stelde een schending van artikel 3 vast. [17]
In N.H. en anderen tegen Frankrijk ging het eveneens om asielzoekers die langdurig buiten moesten slapen en nauwelijks middelen hadden. [31] Voor verschillende verzoekers stelde het Hof vast dat de duur en ernst van hun omstandigheden, in combinatie met de passiviteit van de autoriteiten, de drempel van vernederende behandeling hadden overschreden.
Op 9 april 2026 deed het Hof uitspraak in M.V. en anderen tegen België. Vier verzoekers om internationale bescherming hadden gedurende perioden van meerdere maanden geen opvang of voldoende materiële ondersteuning gekregen, ondanks rechterlijke bevelen waarin de Belgische staat was opgedragen hun opvang te bieden. [32]
Het Hof stelde vast dat zij langdurig op straat hadden geleefd, deels tijdens de winter, zonder voldoende middelen en sanitaire voorzieningen. De Belgische opvangcrisis en capaciteitsproblemen namen de verantwoordelijkheid van de staat niet weg. Het Hof stelde schendingen vast in verband met de leefomstandigheden, het niet uitvoeren van nationale rechterlijke beslissingen en het niet tijdig naleven van voorlopige maatregelen.
Deze rechtspraak betekent niet dat iedere tekortkoming in een opvangcentrum artikel 3 schendt. De drempel blijft hoog. Het Hof kijkt onder meer naar de duur, ernst, gezondheid, leeftijd, kwetsbaarheid, weersomstandigheden en mogelijkheden om elders hulp te krijgen.
Familie- en gezinsleven onder artikel 8 EVRM
Het EHRM kan migratiebesluiten ook toetsen aan artikel 8 EVRM, dat het privéleven en het familie- en gezinsleven beschermt. Het artikel geeft geen algemeen recht om een land naar keuze binnen te komen of om gezinsleven altijd in Europa uit te oefenen. [7]
Staten mogen voorwaarden stellen aan toelating en gezinshereniging. Zij mogen ook vreemdelingen uitzetten die geen verblijfsrecht hebben of ernstige strafbare feiten hebben gepleegd. De overheid moet wel een eerlijke en evenredige belangenafweging maken.
Bij die afweging kunnen de duur van het verblijf, de sterkte van familiebanden, de nationaliteit en verblijfspositie van gezinsleden, het gedrag van de betrokkene, de belangen van kinderen en de mogelijkheid om het gezinsleven in een ander land uit te oefenen relevant zijn.
In Jeunesse tegen Nederland ging het om een Surinaamse vrouw die zonder verblijfsrecht in Nederland verbleef, maar een Nederlands gezin had opgebouwd met haar echtgenoot en drie kinderen. [33]
De Grote Kamer benadrukte dat personen die gezinsleven opbouwen terwijl hun verblijfspositie onzeker is normaal gesproken niet mogen verwachten dat de staat hen laat blijven. Door de uitzonderlijke combinatie van omstandigheden, waaronder de Nederlandse nationaliteit van alle overige gezinsleden, de lange feitelijke tolerantie van haar verblijf en de belangen van de kinderen, stelde het Hof toch een schending van artikel 8 vast.
De uitspraak creëerde geen algemeen verblijfsrecht voor ouders van Europese kinderen. Zij laat zien dat bijzondere omstandigheden en het belang van het kind de balans kunnen doen omslaan.
In M.A. tegen Denemarken onderzocht de Grote Kamer een wettelijke wachttijd van drie jaar voordat bepaalde personen met tijdelijke bescherming gezinshereniging konden aanvragen. [34]
Het Hof erkende dat staten bij migratiebeleid en plotselinge grote aantallen beschermingsgerechtigden beoordelingsruimte hebben. Een starre wachttijd zonder voldoende mogelijkheid om de individuele situatie en de werkelijke duur van de scheiding mee te wegen, ging echter te ver. Het Hof stelde een schending van artikel 8 vast.
De rechtspraak over gezinshereniging maakt duidelijk dat het EHRM niet voorschrijft dat iedere aanvraag moet worden toegewezen. Het verlangt dat regels ruimte laten voor een werkelijke belangenafweging, zeker wanneer langdurige scheiding en kinderen aan de orde zijn.
Voor vluchtelingen kan hun onmogelijkheid om het gezinsleven in het land van herkomst uit te oefenen extra gewicht hebben. Zij zijn immers juist gevlucht uit dat land en kunnen niet zonder meer worden geacht daar naar hun gezin terug te keren.
Het Hof heeft daarnaast criteria ontwikkeld voor de uitzetting van langdurig verblijvende migranten die strafbare feiten hebben gepleegd. De ernst van het misdrijf is belangrijk, maar niet het enige element. Ook de duur van het verblijf, gedrag na het misdrijf, familiebanden en gevolgen voor kinderen moeten worden onderzocht.
Artikel 8 is niet absoluut. Een goed gemotiveerde uitzetting van een persoon die een ernstig gevaar vormt, kan gerechtvaardigd zijn. De nationale rechter moet laten zien dat hij alle relevante omstandigheden werkelijk heeft meegewogen.
Artikel 13: een effectief nationaal rechtsmiddel
Artikel 13 EVRM verlangt een effectief nationaal rechtsmiddel wanneer iemand een verdedigbare klacht over een verdragsrecht heeft. [8] Het uitgangspunt is dat mensenrechtenschendingen eerst binnen het nationale rechtsstelsel moeten kunnen worden voorkomen of hersteld.
Bij een gestelde uitzetting in strijd met artikel 3 moet het rechtsmiddel bijzonder effectief zijn. Omdat de schade na uitzetting mogelijk onomkeerbaar is, moet de persoon zijn argumenten vóór de verwijdering kunnen laten onderzoeken.
Een beroepsprocedure die alleen achteraf tot schadevergoeding kan leiden, is onvoldoende wanneer iemand op dat moment mogelijk al is gefolterd of doorgestuurd naar vervolging. Het rechtsmiddel moet in beginsel de uitvoering van de verwijdering kunnen opschorten totdat het reële risico zorgvuldig is beoordeeld.
Effectiviteit betekent daarnaast dat de autoriteit of rechter de klacht daadwerkelijk en onafhankelijk onderzoekt. Een oppervlakkige procedure waarin alleen wordt gecontroleerd of formulieren correct zijn ingevuld, voldoet niet wanneer concrete informatie over een artikel 3-risico is aangevoerd.
Ook toegang tot informatie, juridische bijstand en een tolk kan noodzakelijk zijn. Een rechtsmiddel is niet praktisch bruikbaar wanneer de persoon het besluit niet begrijpt, zijn dossier niet kan inzien of tijdens detentie geen advocaat kan bereiken.
Wanneer nationale rechtsmiddelen onvoldoende bescherming bieden en een onmiddellijke verwijdering dreigt, kan een verzoeker het EHRM om een voorlopige maatregel vragen op grond van Rule 39 van het Procesreglement van het Hof. [10]
Rule 39: voorlopige maatregelen bij onmiddellijk gevaar
Een Rule 39-maatregel is een urgente maatregel die alleen in uitzonderlijke omstandigheden wordt opgelegd wanneer een onmiddellijk risico op onherstelbare schade bestaat. In migratiezaken gaat het meestal om een dreigende uitzetting of uitlevering waarbij een risico voor het leven of op een behandeling in strijd met artikel 3 wordt aangevoerd.
Het Hof kan de staat dan verzoeken de verwijdering tijdelijk niet uit te voeren totdat het verzoek of de hoofdzaak nader is onderzocht. De voorlopige maatregel betekent niet dat al is vastgesteld dat de uitzetting definitief onrechtmatig is. Zij bevriest de situatie om te voorkomen dat de mogelijke schade ontstaat voordat juridische toetsing mogelijk is.
Rule 39 is geen extra beroepsinstantie voor iedere afgewezen asielaanvraag. De verzoeker moet duidelijke, specifieke en actuele informatie geven over het onmiddellijke risico. Het Hof kan een onvoldoende onderbouwd of te laat ingediend verzoek afwijzen.
Staten zijn verplicht de door het Hof opgelegde voorlopige maatregelen te respecteren. Het negeren ervan kan het recht op een individuele klacht uit artikel 34 EVRM aantasten, omdat de verzoeker dan mogelijk wordt verwijderd voordat het Hof zijn zaak daadwerkelijk kan behandelen. [35]
Toegang tot Straatsburg en het subsidiariteitsbeginsel
De toegang tot het EHRM zelf is aan strikte voorwaarden gebonden. Een persoon moet in beginsel eerst de beschikbare en effectieve nationale rechtsmiddelen gebruiken. Hij moet zijn verdragsklacht ten minste inhoudelijk bij de nationale autoriteiten of rechters hebben aangevoerd. [4]
Daarna moet de klacht normaal gesproken binnen vier maanden na de definitieve nationale beslissing bij het Hof worden ingediend. De verzoeker moet zelf slachtoffer zijn van de gestelde schending. Het Hof beoordeelt geen algemene politieke klachten van personen die niet persoonlijk zijn geraakt.
Het EHRM is geen vierde instantie. Het corrigeert niet iedere mogelijke fout van een nationale rechter en behandelt een asielaanvraag niet volledig opnieuw. Het onderzoekt alleen of de nationale besluitvorming en de gevolgen daarvan binnen de normen van het EVRM blijven.
Dit subsidiariteitsbeginsel betekent dat nationale autoriteiten en rechters de eerste verantwoordelijkheid dragen voor mensenrechtenbescherming. Het Hof treedt op wanneer de nationale bescherming tekortschiet.
Nationale rechters beschikken vaak over een zekere beoordelingsruimte, vooral bij rechten waarbij belangen tegen elkaar moeten worden afgewogen. Die beoordelingsruimte wordt meestal aangeduid als de margin of appreciation.
De ruimte is kleiner bij absolute rechten. Wanneer een reëel risico op foltering bestaat, kan de nationale rechter niet kiezen om openbare orde toch zwaarder te laten wegen. Bij artikel 8 kan daarentegen meer ruimte bestaan om migratiecontrole, familiebanden en individueel gedrag tegen elkaar af te wegen.
Het Hof kijkt daarbij ook naar de kwaliteit van de nationale besluitvorming. Wanneer nationale rechters de juiste criteria zorgvuldig hebben toegepast en hun beslissing overtuigend hebben gemotiveerd, zal het EHRM minder snel zijn eigen beoordeling in de plaats stellen.
Wanneer relevante omstandigheden volledig zijn genegeerd, uitsluitend standaardoverwegingen zijn gebruikt of geen effectief onderzoek naar het risico heeft plaatsgevonden, wordt ingrijpen waarschijnlijker.
Bindende uitspraken en algemene maatregelen
Een uitspraak van het Hof is juridisch bindend voor de staat waartegen zij is gewezen. Artikel 46 EVRM verplicht staten om definitieve uitspraken na te leven. Het Comité van Ministers van de Raad van Europa houdt toezicht op de uitvoering. [11]
De staat moet in ieder geval maatregelen nemen om de gevolgen voor de individuele verzoeker zoveel mogelijk te herstellen. Dat kan het betalen van een schadevergoeding, het opnieuw beoordelen van een besluit, vrijlating of het bieden van opvang vereisen.
Daarnaast kunnen algemene maatregelen nodig zijn om vergelijkbare schendingen in de toekomst te voorkomen. De staat kan wetgeving moeten wijzigen, nieuwe beroepsprocedures invoeren, grenswachters trainen, detentiecentra aanpassen of een structurele praktijk beëindigen.
Het Hof schrijft niet altijd exact voor welke wet moet worden aangenomen. Staten behouden meestal keuzevrijheid bij de uitvoering, zolang de vastgestelde schending werkelijk wordt beëindigd en herhaling wordt voorkomen.
Een individuele uitspraak kan daardoor gevolgen hebben die veel verder gaan dan de persoonlijke zaak. M.S.S. veranderde de omgang met Europese overdrachten. Hirsi Jamaa beïnvloedde de juridische beoordeling van maritieme grensoperaties. Tarakhel maakte individuele opvanggaranties voor kwetsbare gezinnen belangrijker.
De grenzen van de invloed van het EHRM
De invloed van het Hof kent ook grenzen. Het EHRM kan niet zelfstandig grenswachten aansturen, opvangplaatsen bouwen of nationale wetten intrekken. De daadwerkelijke bescherming hangt af van de uitvoering door staten, nationale rechters en andere autoriteiten.
Procedures in Straatsburg kunnen bovendien lang duren. Een definitieve uitspraak komt vaak pas nadat de onmiddellijke migratieprocedure al voorbij is. Rule 39 kan in urgente zaken tijdelijke bescherming bieden, maar is alleen bedoeld voor uitzonderlijke en ernstig onderbouwde situaties.
Ook bewijs vormt een beperking. Pushbacks en informele detentie vinden geregeld plaats buiten het zicht van onafhankelijke waarnemers. Wanneer de verzoeker geen documenten, locatiegegevens of andere concrete aanwijzingen kan overleggen, kan het moeilijk zijn om zijn individuele relaas aannemelijk te maken.
Het Hof probeert rekening te houden met de informatieongelijkheid tussen een individuele migrant en de staat. Het kan gevolgen verbinden aan ontbrekende registraties of aan het feit dat relevant bewijsmateriaal uitsluitend in handen van de autoriteiten is. Het kan echter niet iedere stelling als bewezen behandelen.
De hoge drempel van artikel 3 is eveneens belangrijk. Het EVRM garandeert niet dat een migrant in het bestemmingsland dezelfde levensstandaard, medische zorg of sociale zekerheid ontvangt als in de uitzettende staat.
Armoede, onzekerheid en slechtere voorzieningen zijn niet automatisch onmenselijk of vernederend. Het moet gaan om omstandigheden met een voldoende ernstige intensiteit, waarbij de persoonlijke kwetsbaarheid en feitelijke toegankelijkheid van hulp worden meegewogen.
Het Hof erkent daarnaast dat staten een legitiem belang hebben bij grenscontrole en de uitvoering van migratiebesluiten. Het EVRM verplicht staten niet om iedere afgewezen vreemdeling te laten blijven.
De rechtspraak probeert daardoor een grens te trekken tussen migratiebeleid dat streng maar rechtmatig is en beleid dat de menselijke ondergrens overschrijdt.
Wat staten wel en niet mogen doen
Een staat mag onderzoeken of een asielrelaas geloofwaardig is. Hij mag een aanvraag afwijzen wanneer geen bescherming nodig is. Hij mag onder wettelijke voorwaarden iemand detineren en naar een veilig land verwijderen.
Hij mag niet terugsturen zonder het aangevoerde gevaar te onderzoeken. Hij mag niemand zonder wettelijke basis opsluiten. Hij mag een kwetsbaar gezin niet overdragen zonder de concrete gevolgen te beoordelen en mag een asielzoeker niet langdurig aan extreme materiële ontbering blootstellen.
Het EHRM beschermt migranten daarom niet tegen iedere negatieve beslissing, maar tegen beslissingen en omstandigheden die fundamentele mensenrechten schenden.
Juist daarin ligt de betekenis van het Hof. Migranten bevinden zich vaak in een positie waarin zij weinig politieke invloed hebben. Zij mogen niet stemmen, spreken de taal soms niet, zijn afhankelijk van opvang en kunnen binnen korte tijd worden verwijderd.
Nationale politiek kan daardoor sterke prikkels bevatten om hun rechten ondergeschikt te maken aan snelheid, afschrikking of bestuurlijk gemak. Het EVRM plaatst bepaalde belangen buiten de gewone politieke meerderheid.
Foltering kan niet door een meerderheid worden gelegitimeerd. Willekeurige detentie wordt niet rechtmatig doordat zij efficiënt is. Een pushback wordt niet individueel doordat alle groepsleden hetzelfde standaarddocument ontvangen.
Het Hof houdt staten bovendien verantwoordelijk voor de werkelijke gevolgen van hun handelen. De juridische vorm is niet altijd doorslaggevend. Een opvangcentrum kan feitelijk een detentieplaats zijn. Een bilaterale terugnameafspraak kan leiden tot refoulement. Een beslissing die officieel individueel heet, kan in werkelijkheid onderdeel zijn van een collectieve praktijk.
De recente rechtspraak over Cyprus, Duitsland, Griekenland en België laat zien dat deze controle actueel blijft. Het Hof onderzoekt zowel klassieke uitzettingsbesluiten als moderne vormen van grensbeheer, snelle terugname, pushbacks en structurele opvangtekorten.
Tegelijkertijd blijkt uit zaken als J.B. tegen Griekenland en N.D. en N.T. tegen Spanje dat het Hof migratiecontrole niet per definitie verdacht of onrechtmatig acht. Een overdracht aan een derde land kan worden geaccepteerd wanneer een grondige individuele beoordeling en een effectief beroep bestaan. Een klacht over collectieve uitzetting kan falen wanneer werkelijk toegankelijke legale procedures bestonden en de bijzondere omstandigheden dat rechtvaardigen.
De rechtspraak is daardoor niet eenvoudig samen te vatten als open of gesloten, ruimhartig of streng. Het Hof probeert per recht en per zaak te bepalen welke minimale bescherming het verdrag vereist.
Vier constanten in de Straatsburgse rechtspraak
De belangrijkste constante is individualisering. De overheid moet de persoon achter de migratiestatus zien. Een Syriër, Afghaan of Iraniër kan niet uitsluitend worden beoordeeld aan de hand van een algemene landenlijst. Een gezin kan niet zonder meer worden behandeld zoals een alleenstaande gezonde volwassene. Een kind kan niet worden gereduceerd tot een onderdeel van het dossier van zijn ouders.
Een tweede constante is preventie. Bij verwijdering naar ernstig gevaar moet de mensenrechtelijke toets plaatsvinden voordat de persoon wordt uitgezet. Achteraf vaststellen dat iemand ten onrechte naar foltering is gestuurd, biedt geen werkelijke bescherming.
Een derde constante is effectieve rechtsbescherming. Rechten moeten praktisch kunnen worden ingeroepen. Een beroep zonder schorsende werking, een rechter die geen vrijlating kan bevelen of een asielprocedure die aan de grens feitelijk niet toegankelijk is, kan onvoldoende zijn.
Een vierde constante is verantwoordelijkheid. Staten mogen mensenrechtenverplichtingen niet laten verdwijnen achter Europese regels, internationale wateren, derde landen of administratieve overeenkomsten.
Het EHRM bewaakt de uiterste juridische grenzen
Mijn conclusie is daarom dat het Europees Hof voor de Rechten van de Mens geen algemeen Europees migratiebeleid voorschrijft, maar wel de uiterste juridische grenzen ervan bewaakt.
Het EVRM bevat geen zelfstandig recht op asiel en geeft niemand een onbeperkt recht om een Europees land binnen te komen of daar te blijven. Het beschermt wel tegen verwijdering naar foltering en onmenselijke behandeling, tegen collectieve uitzetting, willekeurige detentie, mensonwaardige opvang en onevenredige aantasting van het gezinsleven.
Het Hof vormt daarbij geen vervanging voor nationale rechters. De bescherming moet in de eerste plaats in de lidstaten zelf functioneren. Straatsburg is het laatste vangnet wanneer nationale procedures geen effectieve oplossing bieden.
De kracht van dat vangnet ligt niet alleen in de schadevergoeding die één verzoeker kan ontvangen. Zij ligt in de juridische boodschap dat ook grensbeheer aan recht onderworpen blijft.
Een staat mag een grens bewaken. Hij mag niet doen alsof de mens aan de andere kant daardoor buiten de bescherming van het recht valt.
Bronnenlijst
[1] Raad van Europa, Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens. De volledige verdragstekst, inclusief de belangrijkste bepalingen over uitzetting, detentie, gezinsleven en rechtsbescherming.
[2] Europees Hof voor de Rechten van de Mens, Guide on the case-law of the Convention – Immigration. Actueel overzicht van de migratierechtspraak, bijgewerkt tot 28 februari 2026.
[3] FRA en Europees Hof voor de Rechten van de Mens, Handbook on European law relating to asylum, borders and immigration – 2026 edition. Over de samenhang tussen het EVRM en het recht van de Europese Unie.
[4] Europees Hof voor de Rechten van de Mens, Practical Guide on Admissibility Criteria. Over uitputting van nationale rechtsmiddelen, de termijn van vier maanden en andere ontvankelijkheidsvoorwaarden.
[5] Europees Hof voor de Rechten van de Mens, Guide on Article 3 of the Convention. Over foltering, onmenselijke behandeling en verwijdering naar ernstig gevaar.
[6] Europees Hof voor de Rechten van de Mens, Guide on Article 5 of the Convention. Over detentie en bescherming tegen willekeurige vrijheidsontneming.
[7] Europees Hof voor de Rechten van de Mens, Guide on Article 8 of the Convention. Over privéleven, gezinsleven, toelating en uitzetting.
[8] Europees Hof voor de Rechten van de Mens, Guide on Article 13 of the Convention. Over het recht op een effectief nationaal rechtsmiddel.
[9] Europees Hof voor de Rechten van de Mens, Guide on Article 4 of Protocol No. 4. Over het verbod op collectieve uitzetting.
[10] Europees Hof voor de Rechten van de Mens, Applying for interim measures under Rule 39. Over urgente voorlopige maatregelen bij dreigende onherstelbare schade.
[11] Europees Hof voor de Rechten van de Mens, Guide on Article 46 – Binding force and execution of judgments. Over de bindende werking en uitvoering van uitspraken.
[12] Europees Hof voor de Rechten van de Mens, Soering tegen het Verenigd Koninkrijk. De klassieke uitspraak over verantwoordelijkheid voor voorzienbare behandeling na uitlevering.
[13] Europees Hof voor de Rechten van de Mens, Chahal tegen het Verenigd Koninkrijk. Over het absolute karakter van artikel 3 bij een vermeend gevaar voor de nationale veiligheid.
[14] Europees Hof voor de Rechten van de Mens, Saadi tegen Italië. Over het verbod om het risico op mishandeling af te wegen tegen terrorisme- of veiligheidsbelangen.
[15] Europees Hof voor de Rechten van de Mens, F.G. tegen Zweden. Over de onderzoeksplicht bij een bekende maar niet volledig aangevoerde asielgrond.
[16] Europees Hof voor de Rechten van de Mens, J.K. en anderen tegen Zweden. Over bewijs, eerdere mishandeling en de beoordeling van toekomstig gevaar.
[17] Europees Hof voor de Rechten van de Mens, M.S.S. tegen België en Griekenland. Over opvang, de asielprocedure en verantwoordelijkheid voor een overdracht.
[18] Europees Hof voor de Rechten van de Mens, Tarakhel tegen Zwitserland. Over individuele opvanggaranties voor een gezin met kinderen.
[19] Europees Hof voor de Rechten van de Mens, Ilias en Ahmed tegen Hongarije. Over verwijdering naar een veilig derde land en kettingrefoulement.
[20] Europees Hof voor de Rechten van de Mens, J.B. tegen Griekenland. Uitspraak uit 2026 over mogelijke terugkeer naar Türkiye onder de EU-Türkiyeverklaring.
[21] Europees Hof voor de Rechten van de Mens, Hirsi Jamaa en anderen tegen Italië. Over onderschepping op zee, rechtsmacht, refoulement en collectieve uitzetting.
[22] Europees Hof voor de Rechten van de Mens, N.D. en N.T. tegen Spanje. Over onmiddellijke terugbrenging bij Melilla en werkelijk toegankelijke legale toegangswegen.
[23] Europees Hof voor de Rechten van de Mens, M.K. en anderen tegen Polen. Over terugzending aan een officiële grenspost, collectieve uitzetting en effectieve rechtsbescherming.
[24] Europees Hof voor de Rechten van de Mens, M.A. en Z.R. tegen Cyprus. Over onderschepping op zee en onmiddellijke terugkeer naar Libanon.
[25] Europees Hof voor de Rechten van de Mens, H.T. tegen Duitsland en Griekenland. Over snelle terugzending op grond van een bilaterale afspraak en detentie in Griekenland.
[26] Europees Hof voor de Rechten van de Mens, A.R.E. tegen Griekenland. Over een pushback naar Türkiye zonder beoordeling van het persoonlijke risico.
[27] Europees Hof voor de Rechten van de Mens, Saadi tegen het Verenigd Koninkrijk. Over kortdurende detentie voor een versnelde asielprocedure.
[28] Europees Hof voor de Rechten van de Mens, Khlaifia en anderen tegen Italië. Over de wettelijke basis van detentie na aankomst op Lampedusa.
[29] Europees Hof voor de Rechten van de Mens, Suso Musa tegen Malta. Over langdurige asieldetentie en onvoldoende effectieve rechterlijke toetsing.
[30] Europees Hof voor de Rechten van de Mens, Rahimi tegen Griekenland. Over detentie en behandeling van een niet-begeleide minderjarige.
[31] Europees Hof voor de Rechten van de Mens, N.H. en anderen tegen Frankrijk. Over langdurige dakloosheid en extreme materiële armoede van asielzoekers.
[32] Europees Hof voor de Rechten van de Mens, M.V. en anderen tegen België. Uitspraak van 9 april 2026 over langdurig ontbreken van opvang en materiële ondersteuning.
[33] Europees Hof voor de Rechten van de Mens, Jeunesse tegen Nederland. Over verblijfsrecht, gezinsleven en de belangen van Nederlandse kinderen.
[34] Europees Hof voor de Rechten van de Mens, M.A. tegen Denemarken. Over een wettelijke wachttijd voor gezinshereniging van personen met tijdelijke bescherming.
[35] Europees Hof voor de Rechten van de Mens, Mamatkulov en Askarov tegen Türkiye. Over de verplichting om voorlopige maatregelen van het Hof te respecteren.
Maak jouw eigen website met JouwWeb