In het kort - Leestijd: 7 minuten
• Non-refoulement verbiedt terugsturen naar een plaats waar iemand vervolging of ernstige mishandeling riskeert.
• Het beginsel volgt uit meerdere internationale en Europese rechtsbronnen.
• Daarom moet het risico vóór overdracht of uitzetting individueel en zorgvuldig worden onderzocht.
Non-refoulement uitgelegd
Non-refoulement is een van de belangrijkste beginselen van het internationale vluchtelingenrecht en de Europese mensenrechtenbescherming. De Franse term betekent letterlijk dat iemand niet mag worden teruggedreven of teruggestuurd. Juridisch houdt het beginsel in dat een staat een persoon niet mag verwijderen naar een land waar hij een reëel risico loopt op vervolging, foltering, de doodstraf of een andere onmenselijke of vernederende behandeling.
Het beginsel klinkt eenvoudig: stuur iemand niet terug naar gevaar. In de praktijk roept het ingewikkelde vragen op. Geldt het alleen voor erkende vluchtelingen of ook voor mensen die nog geen asielaanvraag hebben gedaan? Mag iemand worden teruggestuurd naar een ander Europees land? Wat als een derde land belooft de persoon goed te behandelen? Geldt het verbod ook op zee? En wat gebeurt er wanneer iemand een gevaar vormt voor de nationale veiligheid?
De verschillende juridische bronnen van non-refoulement
Non-refoulement is niet in één enkele rechtsregel vastgelegd. Het wordt beschermd door verschillende internationale en Europese verdragen, die ieder een iets andere reikwijdte hebben. De oudste en bekendste bepaling staat in artikel 33 van het Vluchtelingenverdrag van 1951. Daarin staat dat een staat een vluchteling niet mag uitzetten of terugsturen naar een gebied waar zijn leven of vrijheid wordt bedreigd wegens ras, godsdienst, nationaliteit, politieke overtuiging of het behoren tot een bepaalde sociale groep. [1]
De woorden “op welke wijze dan ook” zijn daarbij belangrijk. Het verbod ziet niet alleen op een formele uitzetting na een volledig juridisch proces. Ook deportatie, uitlevering, weigering aan de grens, een informele overdracht, een pushback of het overbrengen naar een ander land kan onder het beginsel vallen. De naam die de overheid aan de handeling geeft, is niet beslissend. Het gaat erom of de staat iemand daadwerkelijk blootstelt aan gevaar. [2] [3]
De bescherming geldt bovendien niet alleen voor personen die al officieel als vluchteling zijn erkend. De erkenning van vluchtelingschap heeft in beginsel een verklarend karakter. Een persoon wordt niet pas vluchteling doordat een overheid hem een verblijfsdocument geeft. Hij is vluchteling wanneer hij feitelijk aan de voorwaarden van het Vluchtelingenverdrag voldoet. Omdat een asielzoeker mogelijk al vluchteling is, mag hij niet worden teruggestuurd voordat zijn beschermingsbehoefte zorgvuldig is onderzocht. [2]
Toegang tot een procedure is onmisbaar
Dat maakt non-refoulement onlosmakelijk verbonden met toegang tot een asielprocedure. Een grenswachter kan meestal niet direct weten of iemand werkelijk een vluchteling is. Daarvoor moeten het vluchtverhaal, de persoonlijke omstandigheden en de situatie in het land van herkomst worden onderzocht. Wanneer iemand zonder onderzoek wordt teruggestuurd, bestaat het risico dat een vluchteling wordt verwijderd voordat zijn status is vastgesteld.
Non-refoulement geeft daarom niet alleen een eindresultaat, maar legt ook procedurele verplichtingen op. De overheid moet signalen dat iemand bescherming nodig heeft herkennen. Zij moet die persoon toegang geven tot een procedure, hem horen, relevante informatie onderzoeken en een rechtsmiddel beschikbaar stellen. Zonder deze procedurele waarborgen kan het verbod op terugsturen niet effectief worden beschermd.
Vluchtelingenverdrag, EVRM en EU-Handvest
Het Vluchtelingenverdrag beschermt tegen terugkeer naar vervolging die verband houdt met een van de vijf verdragsgronden. Non-refoulement is inmiddels echter breder dan het vluchtelingenrecht alleen. Artikel 3 van het VN-Verdrag tegen foltering bepaalt dat niemand mag worden uitgezet, teruggestuurd of uitgeleverd naar een staat wanneer zwaarwegende gronden bestaan om aan te nemen dat hij daar gevaar loopt te worden gefolterd. Deze bescherming geldt voor iedere persoon, ongeacht of hij onder de vluchtelingendefinitie valt. [4] [5]
Ook het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens bevat geen bepaling die letterlijk non-refoulement heet. Het Europees Hof voor de Rechten van de Mens heeft het verbod echter afgeleid uit artikel 3 EVRM, dat foltering en onmenselijke of vernederende behandeling verbiedt. In de zaak Soering tegen het Verenigd Koninkrijk uit 1989 oordeelde het Hof dat ook een uitlevering in strijd kan zijn met artikel 3 wanneer voorzienbaar is dat de betrokkene in het ontvangende land aan verboden behandeling zal worden blootgesteld. [11]
Dit was een belangrijke ontwikkeling. Artikel 3 beschermt daardoor niet alleen tegen mishandeling door de staat waarin iemand zich bevindt. Een staat kan ook verantwoordelijk worden wanneer hij iemand bewust overdraagt aan een situatie waarin een andere staat of actor de verboden behandeling waarschijnlijk zal veroorzaken.
Binnen het recht van de Europese Unie is non-refoulement rechtstreeks vastgelegd in artikel 19, tweede lid, van het EU-Handvest. Niemand mag worden verwijderd, uitgezet of uitgeleverd aan een staat waar een ernstig risico bestaat dat hij wordt onderworpen aan de doodstraf, foltering of een andere onmenselijke of vernederende behandeling of bestraffing. Artikel 19 werkt daarbij samen met artikel 4 van het Handvest, dat het verbod op foltering en onmenselijke behandeling beschermt, artikel 18 over het recht op asiel en artikel 47 over effectieve rechtsbescherming. [6]
Het beginsel geldt daardoor binnen verschillende procedures. Het moet worden gerespecteerd bij de behandeling van een asielaanvraag, bij een overdracht aan een andere lidstaat, bij een terugkeerbesluit, bij uitlevering voor strafvervolging en bij feitelijke verwijdering aan de grens. Artikel 5 van de Europese Terugkeerrichtlijn verplicht lidstaten uitdrukkelijk om bij de uitvoering van het terugkeerbeleid het non-refoulementbeginsel te eerbiedigen. [7]
Welke gevaren door welke rechtsbron worden beschermd
De verschillende juridische bronnen beschermen niet precies tegen hetzelfde gevaar. Artikel 33 van het Vluchtelingenverdrag richt zich op bedreiging van het leven of de vrijheid wegens een van de vijf vervolgingsgronden. Artikel 3 van het VN-Verdrag tegen foltering ziet specifiek op gevaar voor foltering. Artikel 3 EVRM en de artikelen 4 en 19 van het EU-Handvest beschermen breder tegen foltering en andere onmenselijke of vernederende behandeling.
Daardoor kan iemand tegen terugkeer worden beschermd zonder dat hij verdragsvluchteling is. Een persoon kan bijvoorbeeld gevaar lopen door willekeurig geweld, ernstige mishandeling, onmenselijke detentieomstandigheden of het ontbreken van noodzakelijke medische zorg, zonder dat dit gevaar duidelijk verband houdt met ras, religie, nationaliteit, politieke overtuiging of een sociale groep. Non-refoulement op grond van mensenrechten kan dan toch van toepassing zijn.
Het reële risico en actuele landeninformatie
De ernst van het verwachte gevaar is doorslaggevend. Niet iedere moeilijke, onveilige of arme situatie maakt terugkeer juridisch onmogelijk. De betrokkene moet een reëel en voorzienbaar risico lopen op behandeling die de vereiste ernst bereikt. De beoordeling richt zich op de waarschijnlijke gevolgen voor deze specifieke persoon, gelet op zowel de algemene situatie in het land als zijn persoonlijke omstandigheden.
De woorden “reëel risico” betekenen niet dat met absolute zekerheid moet vaststaan dat iemand zal worden mishandeld. Toekomstig gevaar kan zelden volledig worden bewezen. Er moeten voldoende concrete redenen zijn om aan te nemen dat het risico werkelijk bestaat en niet uitsluitend theoretisch of speculatief is.
De beoordeling moet actueel zijn. De omstandigheden in een land kunnen veranderen door oorlog, een staatsgreep, een nieuwe regering, een vredesakkoord of verslechterende mensenrechtenschendingen. Ook de persoonlijke situatie kan veranderen. Iemand kan zich na zijn vertrek politiek hebben uitgesproken, zich tot een andere religie hebben bekeerd, nieuwe bedreigingen hebben ontvangen of ernstig ziek zijn geworden.
Het Europees Hof benadrukte in F.G. tegen Zweden dat autoriteiten bij een bekend en mogelijk ernstig risico niet altijd passief mogen afwachten welke juridische woorden de asielzoeker gebruikt. Wanneer de overheid op de hoogte is van feiten die bij terugkeer een risico onder artikel 2 of 3 EVRM kunnen veroorzaken, moet zij die gevolgen daadwerkelijk onderzoeken. In die zaak moest Zweden een nieuwe beoordeling maken van het risico dat de bekering van een Iraanse asielzoeker tot het christendom bij terugkeer zou opleveren. [14]
De asielzoeker moet in beginsel wel informatie verstrekken over zijn persoonlijke vrees. Hij moet uitleggen waarom hij gevaar loopt en beschikbare documenten of andere aanwijzingen overleggen. Dit kan echter niet als een normale civiele bewijsprocedure worden behandeld. Mensen die vluchten hebben vaak geen officiële documenten, verklaringen van hun vervolgers of onafhankelijke getuigen bij zich.
De gedeelde onderzoeksplicht van overheid en verzoeker
Daarom moet de overheid actief samenwerken bij het vaststellen van de feiten. Zij moet betrouwbare en actuele landeninformatie verzamelen, rekening houden met trauma en verklaren waarom zij bepaalde informatie wel of niet geloofwaardig vindt. In J.K. en anderen tegen Zweden werkte het Europees Hof verder uit hoe de bewijslast moet worden verdeeld, vooral wanneer een persoon aannemelijk maakt dat hij eerder ernstig is mishandeld of tot een structureel bedreigde groep behoort. [15]
Ook nieuwe feiten moeten tot vlak voor de verwijdering kunnen worden meegewogen. Een afwijzing van een asielaanvraag betekent niet dat de overheid jaren later zonder verdere controle tot uitzetting mag overgaan. Wanneer de veiligheidssituatie of persoonlijke omstandigheden intussen zijn veranderd, moet opnieuw worden beoordeeld of de feitelijke verwijdering nog verenigbaar is met non-refoulement.
Het Hof van Justitie onderstreepte dit in de Nederlandse zaak Ararat uit 2024. De autoriteit die een eerder terugkeerbesluit wil uitvoeren, moet zich ervan vergewissen dat uitvoering op dat moment niet in strijd is met non-refoulement. Ook de rechter moet een mogelijke schending ambtshalve onderzoeken wanneer daarvoor relevante informatie in het dossier aanwezig is. [24]
In de zaak Adrar uit 2025 ging het Hof nog een stap verder. Ook een rechter die de rechtmatigheid van vreemdelingenbewaring beoordeelt, moet zo nodig uit eigen beweging onderzoeken of non-refoulement zich tegen de beoogde verwijdering verzet. Dat geldt zelfs wanneer het onderliggende terugkeerbesluit definitief is geworden en niet eerder succesvol is aangevochten. [25]
In Multan uit januari 2026 koppelde het Hof non-refoulement bovendien aan toegang tot het dossier en een eerlijk proces. Wanneer de overheid onderzoek heeft gedaan in het land van herkomst en de resultaten daarvan gebruikt om de asielaanvraag af te wijzen, moeten de rechter en de betrokkene voldoende informatie kunnen krijgen over de wijze waarop dat onderzoek is uitgevoerd. Anders kan niet effectief worden gecontroleerd of het onderzoek betrouwbaar was en of terugkeer veilig is. [26]
Indirecte terugkeer en kettingrefoulement
Non-refoulement geldt niet alleen bij rechtstreekse terugkeer naar het land van herkomst. Ook indirect refoulement, vaak kettingrefoulement genoemd, is verboden. Daarvan is sprake wanneer iemand wordt verwijderd naar land A, terwijl een reëel risico bestaat dat land A hem vervolgens doorstuurt naar land B, waar vervolging of mishandeling dreigt.
Een Europese staat kan zijn verantwoordelijkheid dus niet ontlopen door de gevaarlijke terugkeer door een andere staat te laten uitvoeren. Voordat iemand naar een derde land wordt gestuurd, moet worden onderzocht of dat land hem daadwerkelijk zal toelaten, toegang geeft tot een behoorlijke beschermingsprocedure en het non-refoulementbeginsel zelf respecteert.
Veilige derde landen
Deze vraag is bijzonder belangrijk bij het begrip “veilig derde land”. De Europese asielregels staan onder voorwaarden toe dat een lidstaat een asielaanvraag niet inhoudelijk behandelt wanneer de verzoeker in een veilig derde land effectieve bescherming kan krijgen. De staat zegt dan niet dat de persoon geen bescherming nodig heeft. Hij zegt dat een ander land de beschermingsvraag kan onderzoeken.
Sinds juni 2026 geldt hiervoor de nieuwe Asielprocedureverordening. Daarnaast is het begrip veilig derde land in februari 2026 verruimd door Verordening (EU) 2026/463. Het concept kan onder meer worden toegepast wanneer er een relevante band met het derde land bestaat, wanneer de verzoeker door dat land is gereisd of wanneer een overeenkomst of regeling bestaat op grond waarvan het derde land asielzoekers toelaat. [8] [9]
Deze verruiming neemt de non-refoulementtoets niet weg. Het derde land moet voor de betrokken persoon daadwerkelijk veilig zijn. Zijn leven en vrijheid mogen er niet worden bedreigd, hij mag geen reëel risico lopen op ernstige schade en hij moet bescherming kunnen krijgen tegen verdere verwijdering naar gevaar. Een algemene politieke aanwijzing dat een land “veilig” is, mag een individuele beoordeling niet volledig vervangen.
Het Europees Hof maakte dit duidelijk in Ilias en Ahmed tegen Hongarije. Wanneer een staat een asielzoeker naar een derde land stuurt zonder zelf de inhoud van diens vluchtverhaal te beoordelen, moet hij grondig onderzoeken of het ontvangende land een toereikende asielprocedure biedt en bescherming geeft tegen verdere terugzending. De overheid mag niet simpelweg uitgaan van een wettelijk vermoeden van veiligheid. [20]
Ook moet worden onderzocht wat de leef- en opvangomstandigheden in het derde land zijn. Een land kan op papier een asielprocedure hebben, maar in de praktijk mensen detineren, aan geweld blootstellen of zonder opvang achterlaten. Non-refoulement vereist daarom meer dan de vraag of een staat het Vluchtelingenverdrag heeft ondertekend.
Overdrachten tussen EU-lidstaten
Dezelfde logica geldt bij overdrachten tussen Europese lidstaten. Het Europese asielstelsel is gebaseerd op wederzijds vertrouwen: lidstaten gaan er in beginsel van uit dat andere lidstaten het Europese recht en de grondrechten respecteren. Dit vertrouwen is echter niet blind of onweerlegbaar.
In de zaken N.S. en M.E. oordeelde het Hof van Justitie dat een asielzoeker niet mag worden overgedragen wanneer bekend is dat tekortkomingen in het asielstelsel en de opvang van de verantwoordelijke lidstaat een reëel risico op onmenselijke of vernederende behandeling veroorzaken. Een Europese verordening kan een lidstaat dus niet verplichten om een grondrechtenschending uit te voeren. [21]
Het Europees Hof kwam in M.S.S. tegen België en Griekenland tot een vergelijkbare conclusie. België had een Afghaanse asielzoeker aan Griekenland overgedragen, ondanks breed beschikbare informatie over ernstige problemen in de Griekse asielprocedure, detentie en opvang. België schond artikel 3 EVRM doordat het de man blootstelde aan deze omstandigheden en aan het risico dat hij zonder behoorlijk onderzoek verder naar Afghanistan zou worden verwijderd. [18]
Niet iedere tekortkoming of lagere levensstandaard maakt een Europese overdracht verboden. In Jawo oordeelde het Hof van Justitie dat sprake moet zijn van een bijzonder hoge drempel. Overdracht is verboden wanneer de persoon buiten zijn eigen keuzes om in een toestand van zeer vergaande materiële armoede terecht dreigt te komen, waardoor hij niet kan voorzien in zijn meest elementaire behoeften en zijn lichamelijke of geestelijke gezondheid ernstig wordt aangetast. [22]
Kwetsbare personen en aanvullende garanties
Bij kwetsbare personen kan eerder aanvullend onderzoek nodig zijn. In Tarakhel tegen Zwitserland ging het om een gezin met jonge kinderen dat naar Italië zou worden overgedragen. Het Europees Hof verlangde individuele garanties dat het gezin bij aankomst bij elkaar zou blijven en onder voor kinderen passende omstandigheden zou worden opgevangen. Een land kan dus in algemene zin veilig zijn, terwijl voor een specifieke kwetsbare persoon toch concrete garanties nodig zijn. [19]
Non-refoulement aan de grens en op zee
Non-refoulement geldt ook aan de grens. Een staat kan niet stellen dat het verbod pas begint nadat iemand formeel tot het grondgebied is toegelaten. Wanneer een persoon bij een grenspost duidelijk maakt dat hij bij terugkeer gevaar loopt, moet dit worden onderzocht voordat hij wordt weggestuurd.
Het Europees Hof heeft verschillende staten veroordeeld omdat grenswachten personen herhaaldelijk terugstuurden zonder hun beschermingsverzoeken werkelijk te registreren. Het Hof kijkt daarbij niet alleen naar formulieren of processen-verbaal van grenswachten, maar ook naar verklaringen van betrokkenen, documenten, landeninformatie en rapporten over de algemene praktijk aan de grens. Een asielverzoek hoeft niet in een bepaalde juridische formulering te worden gedaan.
Dit is van belang bij pushbacks. Een pushback is een snelle en vaak informele terugdrijving waarbij mensen worden verwijderd zonder individuele procedure. Niet iedere grensweigering is automatisch een verboden pushback. Een staat mag toegang weigeren wanneer hij een individuele beoordeling uitvoert, een veilige bestemming vaststelt en effectieve rechtsbescherming biedt. Het wordt problematisch wanneer mensen collectief worden teruggestuurd zonder dat wordt onderzocht wie zij zijn en welk gevaar zij lopen.
In Hirsi Jamaa en anderen tegen Italië werden personen op de Middellandse Zee door Italiaanse autoriteiten onderschept en naar Libië teruggebracht. Het Europees Hof oordeelde dat Italië rechtsmacht over hen uitoefende doordat zij zich onder de volledige controle van Italiaanse schepen en militairen bevonden. Italië had moeten onderzoeken of zij in Libië gevaar liepen en of Libië hen verder naar Eritrea of Somalië zou terugsturen. [17]
De zaak maakt duidelijk dat de zee geen rechtsvrije ruimte is. Wanneer een staat buiten zijn territoriale wateren feitelijke controle over personen uitoefent, kunnen zijn mensenrechtenverplichtingen van toepassing zijn. Een staat kan non-refoulement niet ontwijken door mensen te onderscheppen voordat zij de kust bereiken.
Ook het uitbesteden van grenscontrole verandert dat niet automatisch. Wanneer een staat een andere staat financieel, technisch of operationeel ondersteunt, is de juridische verantwoordelijkheid afhankelijk van factoren zoals feitelijke controle, kennis van het risico en de concrete bijdrage aan de terugkeer. Het beginsel blijft echter dat staten niet doelbewust mogen organiseren dat een ander uitvoert wat zij zelf niet rechtmatig zouden mogen doen.
Collectieve uitzetting is niet hetzelfde als refoulement
Non-refoulement en het verbod op collectieve uitzetting overlappen, maar zijn niet hetzelfde. Artikel 4 van Protocol nr. 4 bij het EVRM en artikel 19, eerste lid, van het EU-Handvest verbieden collectieve uitzettingen. Dit verbod beschermt tegen verwijdering van een groep zonder een redelijke en objectieve beoordeling van de omstandigheden van ieder individu. Er hoeft niet voor ieder groepslid al vast te staan dat hij persoonlijk zal worden gemarteld. [27] [28]
In N.D. en N.T. tegen Spanje oordeelde het Europees Hof dat onder bijzondere omstandigheden geen schending van het verbod op collectieve uitzetting bestond. De betrokkenen hadden zonder dwingende reden geprobeerd een grenshek groepsgewijs te bestormen, terwijl volgens het Hof reële en effectieve mogelijkheden bestonden om via officiële grensprocedures toegang te vragen. Deze uitspraak geeft staten echter geen algemene toestemming voor pushbacks. De beschikbaarheid en werkelijke toegankelijkheid van legale procedures blijft beslissend. [27]
Een effectief rechtsmiddel vóór verwijdering
Een procedure tegen verwijdering moet effectief zijn. Wanneer iemand een verdedigbare klacht heeft dat terugkeer tot foltering of een andere behandeling in strijd met artikel 3 EVRM leidt, moet een onafhankelijke instantie deze klacht zorgvuldig en grondig onderzoeken. De betrokkene moet voldoende informatie, tijd, vertaling en zo nodig juridische bijstand krijgen om zijn risico uit te leggen.
Het rechtsmiddel moet bovendien voorkomen dat de persoon wordt verwijderd voordat de klacht is onderzocht. Een procedure die pas na de uitzetting tot de conclusie kan komen dat de uitzetting onrechtmatig was, kan het gevaar niet meer herstellen. Bij een verdedigbare klacht onder artikel 2 of 3 EVRM vereist effectieve rechtsbescherming daarom in beginsel dat de verwijdering wordt opgeschort.
Dit betekent niet dat iedere asielzoeker door het indienen van eindeloze verzoeken iedere terugkeer onbeperkt kan blokkeren. Staten mogen termijnen stellen, kennelijk ongegronde aanvragen sneller behandelen en misbruik tegengaan. De termijnen en procedures mogen echter niet zo streng zijn dat een werkelijk risico niet meer kan worden onderzocht.
Uitlevering en diplomatieke garanties
Non-refoulement geldt eveneens bij uitlevering. Wanneer een ander land iemand strafrechtelijk wil vervolgen of een gevangenisstraf wil laten ondergaan, moet de uitleverende staat onderzoeken of daar een reëel risico bestaat op foltering, een oneerlijk proces dat een flagrante rechtsweigering oplevert, de doodstraf of onmenselijke detentieomstandigheden.
Staten proberen zulke risico’s soms weg te nemen met diplomatieke garanties. Het ontvangende land belooft dan bijvoorbeeld dat de persoon niet zal worden gemarteld, niet ter dood zal worden veroordeeld of in een bepaalde gevangenis zal worden geplaatst. Zo’n toezegging kan relevant zijn, maar is niet automatisch voldoende.
De garantie moet specifiek, betrouwbaar en controleerbaar zijn. Er moet worden gekeken naar de mensenrechtensituatie in het land, de positie van de instantie die de garantie geeft, eerdere naleving, de mogelijkheid van onafhankelijk toezicht en de vraag of de persoon na terugkeer contact met advocaten of waarnemers kan houden. Een algemene belofte van een staat die structureel martelt, biedt weinig bescherming. [32]
Kent non-refoulement uitzonderingen?
Een belangrijke vraag is of non-refoulement uitzonderingen kent. Het antwoord hangt af van de juridische bron. Artikel 33, tweede lid, van het Vluchtelingenverdrag bevat een beperkte uitzondering. Een vluchteling kan zich in uitzonderlijke omstandigheden niet op de verdragsbepaling beroepen wanneer redelijke gronden bestaan om hem als gevaar voor de veiligheid van het gastland te beschouwen, of wanneer hij na een definitieve veroordeling voor een bijzonder ernstig misdrijf een gevaar vormt voor de gemeenschap. [1] [2]
Deze uitzondering moet restrictief en individueel worden toegepast. Alleen het plegen van een strafbaar feit is niet automatisch voldoende. Er moet sprake zijn van een bijzonder ernstig misdrijf en een daadwerkelijk, actueel gevaar voor de gemeenschap. Ook een algemene verwijzing naar nationale veiligheid zonder concrete onderbouwing volstaat niet.
De uitzondering uit het Vluchtelingenverdrag maakt terugkeer naar foltering of onmenselijke behandeling echter niet rechtmatig. Het verbod van artikel 3 EVRM en artikel 3 van het VN-Verdrag tegen foltering is absoluut. Er mag geen afweging worden gemaakt tussen het gevaar dat iemand voor de samenleving vormt en het gevaar dat hij na terugkeer wordt gemarteld.
In Chahal tegen het Verenigd Koninkrijk wilde de Britse overheid een man verwijderen omdat zij hem als bedreiging voor de nationale veiligheid beschouwde. Het Europees Hof oordeelde dat artikel 3 geen uitzonderingen toelaat. Het gedrag van de betrokkene, hoe ongewenst of gevaarlijk ook, vermindert zijn bescherming tegen foltering niet. [12]
Het Hof bevestigde dit in Saadi tegen Italië. Ook bij verdenking van terrorisme mag het risico in het land van bestemming niet worden afgewogen tegen het veiligheidsrisico voor de verwijderende staat. Wanneer een reëel risico op verboden behandeling bestaat, mag de uitzetting niet plaatsvinden. [13]
Dat betekent niet dat de staat machteloos is tegenover een gevaarlijk persoon. Hij kan strafbare feiten vervolgen, toezicht opleggen, detentie toepassen wanneer daarvoor een rechtsgrond bestaat of zoeken naar een ander land waar de persoon veilig en rechtmatig kan worden toegelaten. Wat de staat niet mag doen, is foltering of onmenselijke behandeling gebruiken als indirecte straf door iemand naar dat gevaar te sturen.
Ernstige ziekte en het belang van het kind
Non-refoulement kan ook van toepassing zijn bij ernstige gezondheidsproblemen. Het uitgangspunt is niet dat iedereen recht heeft op verblijf in het land met de beste gezondheidszorg. Verschillen in kwaliteit, kosten of beschikbaarheid van medische behandeling zijn normaal gesproken onvoldoende om terugkeer te verbieden.
In Paposhvili tegen België verduidelijkte het Europees Hof dat artikel 3 in uitzonderlijke medische situaties wel een rol speelt. Terugkeer kan verboden zijn wanneer zwaarwegende gronden bestaan om aan te nemen dat het ontbreken of de feitelijke ontoegankelijkheid van passende behandeling leidt tot een ernstige, snelle en onomkeerbare verslechtering, intens lijden of een aanzienlijke vermindering van de levensverwachting. De overheid moet niet alleen kijken of behandeling theoretisch in het land bestaat, maar ook of de persoon er daadwerkelijk toegang toe zal hebben. [16]
Bij kinderen moet naast non-refoulement ook het belang van het kind worden meegewogen. Leeftijd, afhankelijkheid, gezondheid, familiebanden en eerdere ervaringen kunnen de gevolgen van terugkeer ernstiger maken. Een situatie die voor een gezonde volwassene de drempel van artikel 3 niet bereikt, kan voor een jong of bijzonder kwetsbaar kind anders worden beoordeeld.
Geen automatisch recht op permanent verblijf
Non-refoulement is wel een verbod op gevaarlijke terugkeer, maar niet automatisch een onbeperkt recht op permanent verblijf. Wanneer terugkeer naar één land niet mogelijk is, kan overdracht aan een ander werkelijk veilig land onder voorwaarden toegestaan zijn. Ook kan de situatie in het land van herkomst later zodanig veranderen dat terugkeer alsnog mogelijk wordt.
Het beginsel bepaalt evenmin automatisch welke verblijfsvergunning iemand moet krijgen. Wanneer iemand aan de voorwaarden voor vluchtelingenstatus of subsidiaire bescherming voldoet, moet de betreffende beschermingsstatus worden verleend. Wanneer uitsluitend een tijdelijke belemmering voor verwijdering bestaat, kunnen de verblijfsrechtelijke gevolgen afhangen van het Europese en nationale recht.
Toch mag een staat iemand niet jarenlang in een juridische fictie laten verkeren alsof verwijdering ieder moment mogelijk is, terwijl duidelijk is dat het gevaar blijvend is. Langdurige onzekerheid kan andere rechten raken, zoals menselijke waardigheid, privéleven, gezondheid en de rechten van kinderen. Non-refoulement is een minimumgrens, niet noodzakelijk de volledige oplossing voor iemands verblijfspositie.
Non-refoulement onder het Migratiepact
De toepassing van het Europese Asiel- en Migratiepact verandert deze kern niet. Sinds 12 juni 2026 gelden nieuwe regels over screening, grensprocedures, veilige derde landen, verantwoordelijkheid en terugkeer. Die regels kunnen procedures versnellen en meer aanvragen aan de buitengrens laten behandelen, maar zij blijven ondergeschikt aan het EU-Handvest, het EVRM en het Vluchtelingenverdrag. [8] [30]
Een screeningprocedure mag daarom niet eindigen in onmiddellijke terugdrijving wanneer iemand bescherming vraagt. Een grensprocedure mag snel zijn, maar niet oppervlakkig. Een veilig derde land mag worden gebruikt, maar moet werkelijk veilig zijn. Een terugkeerbesluit mag worden vastgesteld, maar niet worden uitgevoerd zolang een actueel risico op refoulement bestaat.
Non-refoulement is daardoor geen technisch onderdeel van de asielprocedure. Het is de uiterste grens aan de macht van de staat om te bepalen wie mag blijven en wie moet vertrekken. Staten behouden het recht om migratie te reguleren, asielaanvragen af te wijzen en personen zonder verblijfsrecht terug te sturen. Zij mogen deze bevoegdheid alleen niet gebruiken wanneer de voorzienbare consequentie vervolging, foltering, de doodstraf of onmenselijke behandeling is.
Het beginsel vraagt ook niet dat iedere verklaring zonder onderzoek wordt geloofd. Het vraagt dat risico’s serieus, individueel en op basis van actuele informatie worden beoordeeld. De overheid mag ongeloofwaardige aanvragen afwijzen, maar moet uitleggen waarom zij verklaringen niet gelooft en waarom terugkeer desondanks veilig is.
Daarom is de zin “de asielaanvraag is afgewezen” juridisch niet altijd het einde van de discussie. De vraag blijft of de feitelijke verwijdering op het moment van uitvoering verenigbaar is met de grondrechten. Een veranderde situatie, nieuw bewijs of een nieuw persoonlijk risico kan een nieuwe beoordeling noodzakelijk maken.
De meest fundamentele betekenis van non-refoulement is uiteindelijk dat een mens niet tot zijn gevaar mag worden gereduceerd. Ook iemand die irregulier is binnengekomen, een afgewezen aanvraag heeft, een strafbaar feit heeft gepleegd of als veiligheidsrisico wordt beschouwd, blijft beschermd tegen foltering en onmenselijke behandeling.
Waar de beleidsruimte van de staat eindigt
Mijn conclusie is daarom dat non-refoulement meer betekent dan “vluchtelingen mogen niet worden teruggestuurd”. Het geldt al voordat definitief is vastgesteld dat iemand vluchteling is. Het geldt aan de grens, op zee, bij uitlevering, bij overdracht aan een andere lidstaat en bij verwijdering naar een derde land. Het beschermt tegen directe én indirecte terugkeer naar gevaar.
Het beginsel verplicht staten niet om iedere asielaanvraag toe te wijzen. Het verplicht hen wel om vóór iedere verwijdering de juiste vraag te stellen: wat zal er werkelijk met deze persoon gebeuren wanneer wij hem overdragen?
Wanneer het antwoord vervolging, foltering, de doodstraf of onmenselijke behandeling is, eindigt de beleidsruimte van de staat. Dan is terugsturen geen migratiebeleid meer, maar een schending van een fundamenteel recht.
Bronnenlijst
[1] UNHCR, Vluchtelingenverdrag van 1951 en Protocol van 1967. Zie met name artikel 33 over het verbod van uitzetting en terugleiding.
[2] UNHCR, Note on Non-Refoulement. Uitleg over de fundamentele betekenis en reikwijdte van artikel 33.
[3] UNHCR, Advisory Opinion on the Extraterritorial Application of Non-Refoulement. Bespreekt toepassing buiten het eigen grondgebied en bij feitelijke staatscontrole.
[4] Verenigde Naties, Verdrag tegen foltering. Artikel 3 bevat het verbod iemand terug te sturen naar gevaar voor foltering.
[5] VN-Comité tegen foltering, General Comment No. 4 on non-refoulement. Nadere uitleg over artikel 3 van het Antifolterverdrag.
[6] Europese Unie, Handvest van de grondrechten van de Europese Unie. Zie met name de artikelen 4, 18, 19 en 47.
[7] Richtlijn 2008/115/EG, Europese Terugkeerrichtlijn. Artikel 5 verplicht tot eerbiediging van non-refoulement.
[8] Verordening (EU) 2024/1348, Asielprocedureverordening. Bevat de procedurele regels die sinds juni 2026 gelden.
[9] Verordening (EU) 2026/463, Wijziging van het begrip veilig derde land. Verruimt en verduidelijkt de toepassing van het veilig-derde-landconcept.
[10] Europees Hof voor de Rechten van de Mens, Guide on the case-law of the Convention – Immigration. Actueel overzicht van de rechtspraak, bijgewerkt tot februari 2026.
[11] Europees Hof voor de Rechten van de Mens, Soering tegen het Verenigd Koninkrijk. Grondleggende uitspraak over artikel 3 EVRM en uitlevering.
[12] Europees Hof voor de Rechten van de Mens, Chahal tegen het Verenigd Koninkrijk. Bevestigt het absolute karakter van artikel 3, ook bij nationale veiligheid.
[13] Europees Hof voor de Rechten van de Mens, Saadi tegen Italië. Over terrorismeverdenkingen en het verbod risico’s tegen elkaar af te wegen.
[14] Europees Hof voor de Rechten van de Mens, F.G. tegen Zweden. Over de verplichting bekende risico’s bij terugkeer daadwerkelijk te onderzoeken.
[15] Europees Hof voor de Rechten van de Mens, J.K. en anderen tegen Zweden. Over bewijs, eerdere mishandeling en toekomstige risico’s.
[16] Europees Hof voor de Rechten van de Mens, Paposhvili tegen België. Over non-refoulement bij zeer ernstige medische omstandigheden.
[17] Europees Hof voor de Rechten van de Mens, Hirsi Jamaa en anderen tegen Italië. Over onderschepping op zee, pushbacks en indirect refoulement.
[18] Europees Hof voor de Rechten van de Mens, M.S.S. tegen België en Griekenland. Over overdracht binnen Europa, opvang en kettingrefoulement.
[19] Europees Hof voor de Rechten van de Mens, Tarakhel tegen Zwitserland. Over individuele garanties bij overdracht van een gezin met kinderen.
[20] Europees Hof voor de Rechten van de Mens, Ilias en Ahmed tegen Hongarije. Over verwijdering naar een vermeend veilig derde land.
[21] Hof van Justitie van de Europese Unie, N.S. en M.E., gevoegde zaken C-411/10 en C-493/10. Over de grenzen van wederzijds vertrouwen tussen lidstaten.
[22] Hof van Justitie van de Europese Unie, Jawo, zaak C-163/17. Over zeer vergaande materiële armoede na een Europese overdracht.
[23] Hof van Justitie van de Europese Unie, Commissie tegen Hongarije, zaak C-808/18. Over toegang tot asiel, transitzones en onrechtmatige verwijdering.
[24] Hof van Justitie van de Europese Unie, Ararat, zaak C-156/23. Over de actuele toets aan non-refoulement bij uitvoering van een terugkeerbesluit.
[25] Hof van Justitie van de Europese Unie, Adrar, zaak C-313/25 PPU. Over ambtshalve toetsing door de rechter die vreemdelingenbewaring beoordeelt.
[26] Hof van Justitie van de Europese Unie, Multan, zaak C-431/24. Over dossierinzage, onderzoek in het land van herkomst en effectieve toetsing aan non-refoulement.
[27] Europees Hof voor de Rechten van de Mens, N.D. en N.T. tegen Spanje. Over collectieve uitzetting en toegang tot officiële grensprocedures.
[28] Europees Hof voor de Rechten van de Mens, Factsheet Collective Expulsions of Aliens. Over het verbod op collectieve uitzettingen.
[29] UNHCR, The 1951 Refugee Convention. Algemene uitleg over het verdrag en non-refoulement.
[30] Europese Commissie, New migration and asylum rules enter into application. Uitleg over de toepassing van het Migratiepact sinds 12 juni 2026.
[31] Europese Commissie, Questions and answers on the Pact on Migration and Asylum. Behandelt onder meer grensprocedures en veilige derde landen.
[32] Europees Hof voor de Rechten van de Mens, Othman (Abu Qatada) tegen het Verenigd Koninkrijk. Over diplomatieke garanties en risico’s na uitlevering.
[33] Europees Hof voor de Rechten van de Mens, Summary returns of migrants and asylum-seekers. Actueel overzicht van de rechtspraak over pushbacks en snelle terugdrijvingen.
Maak jouw eigen website met JouwWeb