In het kort – Leestijd: circa 17 minuten

  • Sinds 12 juni 2026 zijn de nieuwe Europese asielregels volledig van toepassing. Kort daarvoor werd bovendien het begrip ‘veilig derde land’ aanzienlijk verruimd. Daardoor kunnen EU-lidstaten in meer situaties besluiten een asielverzoek niet zelf inhoudelijk te behandelen wanneer een ander, veilig derde land bereid is de betrokkene over te nemen.¹ ²
  • Een eerdere persoonlijke band met dat derde land is niet langer altijd noodzakelijk. Overdracht kan tegenwoordig ook mogelijk zijn wanneer iemand door het land is gereisd of wanneer de EU of een lidstaat een overeenkomst met dat land heeft gesloten waarin is vastgelegd dat het land de beschermingsvraag inhoudelijk zal beoordelen.²
  • Dat betekent echter niet dat Europa iedere asielzoeker zonder verdere voorwaarden naar een willekeurig land kan sturen. Het derde land moet daadwerkelijk veilig zijn, non-refoulement respecteren en effectieve bescherming kunnen bieden. Bovendien blijft een individuele beoordeling noodzakelijk.² ³
  • De ontwikkeling past in een bredere verschuiving binnen het Europese migratiebeleid: steeds meer verantwoordelijkheid voor opvang, asielprocedures en migratiecontrole wordt buiten het grondgebied van de EU georganiseerd. Daarmee wordt de discussie over externalisering, veilige derde landen, rechtsbescherming aan de grens en het recht op asiel steeds belangrijker.

Asiel buiten Europa: kan de EU asielzoekers hun procedure in een derde land laten afwachten?

Kan iemand die in Nederland, Italië of Griekenland asiel aanvraagt worden overgebracht naar een land buiten de Europese Unie en daar vervolgens zijn procedure doorlopen?

Tot enkele jaren geleden zou het antwoord op die vraag veel voorzichtiger zijn geweest. Sinds de hervorming van het Europese asielrecht is de juridische ruimte echter aanzienlijk groter geworden. Eurocommissaris voor Migratie Magnus Brunner zei daar op 11 juni 2026 tegenover Nieuwsuur opvallend duidelijk over te zijn. Volgens hem is het juridisch mogelijk om asielzoekers buiten de Europese Unie te laten verblijven en bescherming in een veilig derde land te laten aanvragen. Hij moedigde lidstaten bovendien aan dergelijke mogelijkheden te onderzoeken.¹

De uitspraak kwam op een belangrijk moment. Een dag later, op 12 juni 2026, werd het grootste gedeelte van het nieuwe Europees Asiel- en Migratiepact daadwerkelijk van toepassing. Tegelijkertijd was enkele maanden eerder een andere belangrijke hervorming aangenomen: Verordening (EU) 2026/463, waarmee de regels over veilige derde landen aanzienlijk werden versoepeld.²

Juist die combinatie maakt de uitspraak van Brunner interessant. Want het Europese recht zegt inmiddels niet langer dat een asielzoeker alleen naar een derde land kan worden verwezen wanneer hij daar bijvoorbeeld familie heeft of eerder langdurig heeft verbleven. Onder bepaalde voorwaarden kan ook een land waarmee iemand nauwelijks of zelfs geen persoonlijke band heeft verantwoordelijk worden voor de bescherming van die persoon.

Dat is een belangrijke verschuiving in het Europese asielrecht.

Eerst: wat is eigenlijk een ‘veilig derde land’?

Het begrip wordt gemakkelijk verward met een veilig land van herkomst, maar juridisch gaat het om twee verschillende dingen. Een veilig land van herkomst is het land waarvan de asielzoeker de nationaliteit heeft. Wanneer zo'n land als veilig is aangewezen, kan de overheid ervan uitgaan dat daar in het algemeen geen vervolging of ernstige schade plaatsvindt. De asielzoeker kan dat vermoeden in zijn individuele zaak proberen te weerleggen.

Een veilig derde land is juist een ander land dan het land waarvan iemand de nationaliteit heeft. Stel bijvoorbeeld dat iemand afkomstig is uit land A, door land B reist en vervolgens in Nederland asiel aanvraagt. Nederland kan onder bepaalde omstandigheden zeggen dat land B verantwoordelijk kan zijn voor de bescherming van die persoon, ook al is hij geen onderdaan van land B.

Het gevolg kan verstrekkend zijn. De Nederlandse autoriteiten hoeven dan niet noodzakelijk eerst inhoudelijk vast te stellen of iemand in land A daadwerkelijk wordt vervolgd. De aanvraag kan in plaats daarvan niet-ontvankelijk worden verklaard omdat de betrokkene volgens de overheid in land B effectieve bescherming kan krijgen.³ Dat is dus iets anders dan zeggen: “Wij hebben uw asielverhaal onderzocht en vinden dat u geen vluchteling bent.”

De overheid zegt in feite: “Wij beoordelen niet of u bescherming tegen uw land van herkomst nodig heeft, omdat u die bescherming volgens ons in een ander veilig land kunt krijgen.” Het onderscheid is cruciaal voor de rest van de discussie.

Wat veranderde er in 2026?

De oorspronkelijke Asielprocedureverordening uit 2024 kende nog een belangrijke beperking. Een lidstaat kon het begrip veilig derde land in beginsel alleen toepassen wanneer er tussen de asielzoeker en dat derde land een zodanige band bestond dat het redelijk was om hem daarheen te sturen. Zo'n band kon bijvoorbeeld bestaan doordat iemand eerder in dat land had gewoond of daar familieleden had. Maar nog voordat de nieuwe regels volledig van toepassing werden, besloot de EU deze voorwaarde te versoepelen.

Met Verordening (EU) 2026/463 van 24 februari 2026 zijn er nu drie verschillende routes waarmee het begrip veilig derde land kan worden toegepast.² De eerste mogelijkheid is de klassieke situatie: de asielzoeker heeft een relevante band met het derde land. Daarbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan eerder verblijf, familie of andere betekenisvolle banden. 

De tweede mogelijkheid is veel ruimer. Het is voldoende dat iemand via het betreffende derde land naar de Europese Unie is gereisd, mits hij daar daadwerkelijk de mogelijkheid had om bescherming te vragen.

De derde mogelijkheid gaat nog verder. Zelfs wanneer iemand niet door het land is gereisd en er geen andere persoonlijke band mee heeft, kan overdracht mogelijk worden wanneer de EU of één of meerdere lidstaten een overeenkomst of regeling met dat derde land hebben gesloten.

In die overeenkomst moet wel staan dat het derde land de beschermingsvraag van de overgedragen personen inhoudelijk onderzoekt.² Dat laatste is de juridische opening waar Eurocommissaris Brunner in het interview op doelde. Een Europees land kan dus in theorie een overeenkomst sluiten met een veilig land buiten de EU waarbij wordt afgesproken dat bepaalde asielzoekers vanuit Europa naar dat land worden gebracht en daar een beschermingsprocedure krijgen.

Betekent dit dat ‘de hele Europese asielprocedure’ naar Afrika kan worden verplaatst?

Hier vraagt de formulering om nuance. Nieuwsuur vat de ontwikkeling samen met de mededeling dat de hele asielprocedure naar een veilig derde land kan worden verplaatst.¹ Dat maakt duidelijk wat er praktisch kan gebeuren, maar juridisch is de constructie iets preciezer. De EU-lidstaat hoeft in zo'n geval het oorspronkelijke asielverzoek namelijk juist niet inhoudelijk te behandelen.

De Europese autoriteiten beoordelen eerst of het derde land in de individuele zaak als veilig derde land mag worden beschouwd. Wanneer dat zo is en aan de andere voorwaarden is voldaan, kan de Europese aanvraag niet-ontvankelijk worden verklaard. Vervolgens moet het derde land waarmee de overeenkomst is gesloten de inhoud van het verzoek om effectieve bescherming onderzoeken.² Met andere woorden: Nederland zou bijvoorbeeld niet noodzakelijk een Nederlandse IND-procedure naar een ander continent verplaatsen en daar Nederlandse IND-medewerkers laten beslissen.

De constructie kan juist betekenen dat Nederland zegt: “Dit verzoek hoeft niet inhoudelijk in Nederland te worden onderzocht, omdat land X u overneemt en zelf zal beoordelen of u bescherming nodig heeft.” Dat lijkt misschien een technisch verschil, maar juridisch is het essentieel. De verantwoordelijkheid voor de inhoudelijke beschermingsprocedure wordt in dat model daadwerkelijk naar een derde land verschoven.

Een derde land moet wel écht bescherming kunnen bieden

De regeling betekent niet dat ieder land waarmee Europa een overeenkomst wil sluiten automatisch als veilig kan worden beschouwd. Artikel 59 van de Asielprocedureverordening stelt daarvoor verschillende eisen. In het derde land mogen leven en vrijheid van de betrokken persoon niet worden bedreigd wegens bijvoorbeeld ras, religie, nationaliteit, politieke overtuiging of het behoren tot een bepaalde sociale groep. Er mag evenmin een reëel risico bestaan op ernstige schade.

Daarnaast moet het land het verbod op refoulement respecteren. Dat betekent dat het iemand niet mag doorsturen naar een plaats waar deze persoon gevaar loopt op vervolging, foltering of andere ernstige mensenrechtenschendingen.³ Ook moet het daadwerkelijk mogelijk zijn om effectieve bescherming te verkrijgen.

De verordening geeft daar verdere inhoud aan. Wanneer bescherming niet rechtstreeks op het Vluchtelingenverdrag is gebaseerd, moet de persoon in ieder geval in het derde land mogen blijven, toegang hebben tot voldoende middelen om een aanvaardbare levensstandaard te behouden, gezondheidszorg kunnen krijgen en toegang tot onderwijs hebben. De bescherming moet bovendien beschikbaar blijven totdat een duurzame oplossing is gevonden.³

Een overeenkomst waarin een derde land alleen belooft mensen tijdelijk op te vangen, zonder een reële beschermingsstatus of bescherming tegen verdere uitzetting, is daarom niet voldoende. Het gaat juridisch niet alleen om een veilige wachtkamer. Er moet daadwerkelijk een perspectief op bescherming bestaan.

Een papieren afspraak maakt een land niet automatisch veilig

Daar zit meteen één van de belangrijkste juridische risico's. Een regering kan een overeenkomst sluiten waarin een derde land belooft bepaalde normen te respecteren. Maar de vraag blijft vervolgens of die garanties in de praktijk betrouwbaar zijn. De Europese regels verplichten autoriteiten daarom om informatie uit verschillende bronnen te gebruiken wanneer zij beoordelen of een land veilig is. Daarbij kunnen onder meer rapporten van het EU-Asielagentschap, UNHCR, de Raad van Europa en andere internationale organisaties worden betrokken.³ Het Europees Hof voor de Rechten van de Mens heeft dit beginsel eveneens sterk ontwikkeld.

Wanneer een Europese staat een asielzoeker naar een derde land wil sturen zonder diens oorspronkelijke vluchtverhaal inhoudelijk te onderzoeken, moet die staat vooraf grondig beoordelen of de persoon daar daadwerkelijk toegang krijgt tot een behoorlijke asielprocedure en beschermd wordt tegen refoulement.

Dat werd opnieuw zichtbaar in J.B. tegen Griekenland, waarover het Europees Hof op 26 mei 2026 uitspraak deed. De zaak betrof een Syrische asielzoeker die vanuit Griekenland mogelijk naar Turkije zou worden teruggestuurd op grond van de veilige-derde-landconstructie. Het Hof vond in die specifieke zaak geen schending, juist omdat de Griekse autoriteiten uitgebreid hadden onderzocht welke omstandigheden de man in Turkije zou aantreffen, verschillende rapporten hadden bekeken en de betrokkene met juridische bijstand de kwalificatie van Turkije als veilig derde land had kunnen aanvechten.⁴

De zaak laat daarmee vooral zien wat noodzakelijk is: ‘veilig’ mag geen automatisch label worden. De individuele situatie moet controleerbaar blijven.

De asielzoeker moet zich kunnen verdedigen

Ook onder de nieuwe regels blijft daarom een individuele beoordeling noodzakelijk. Een asielzoeker moet argumenten kunnen aanvoeren waarom een land dat in algemene zin veilig wordt geacht voor hem of haar persoonlijk juist niet veilig is.³ Dat kan bijvoorbeeld relevant zijn wanneer iemand in het derde land zelf eerder mishandeld is, daar gevaar loopt vanwege seksuele gerichtheid of politieke activiteiten, onvoldoende toegang heeft tot bescherming of een bijzonder risico loopt om alsnog naar het oorspronkelijke land van vervolging te worden doorgestuurd.

Deze individuele beoordeling raakt rechtstreeks aan effectieve rechtsbescherming. Wanneer Europa steeds vaker gebruikmaakt van veilige derde landen, verschuift namelijk ook de juridische vraag die de rechter moet beantwoorden. De rechter onderzoekt dan niet uitsluitend: “Loopt deze persoon gevaar in zijn land van herkomst?”

maar steeds vaker ook: “Kan de overheid voldoende garanderen dat het derde land waarnaar deze persoon wordt gestuurd daadwerkelijk veilig is en hem toegang geeft tot een behoorlijke beschermingsprocedure?” Dat maakt betrouwbare landeninformatie, toegang tot een advocaat en een effectief beroep bijzonder belangrijk.

Ook het recht op beroep is in 2026 veranderd

Juist op dit punt bevat de hervorming een controversiële wijziging. Wie bezwaar maakt tegen een besluit waarin zijn aanvraag niet-ontvankelijk wordt verklaard omdat een derde land veilig zou zijn, heeft onder de nieuwe regeling niet in alle gevallen automatisch het recht om gedurende het volledige beroep in de betrokken EU-lidstaat te blijven.² De verordening bepaalt wel dat uitvoering van de terugkeerbeslissing tijdens de termijn voor het instellen van het eerste beroep wordt opgeschort. Wanneer daadwerkelijk beroep wordt ingesteld en er een risico bestaat op schending van non-refoulement, moet de overdracht eveneens worden opgeschort.²

Toch heeft juist deze wijziging kritiek opgeleverd. UNHCR waarschuwde tijdens de totstandkoming van de regels dat een persoon mogelijk al uit de EU kan worden verwijderd voordat volledig door een rechter is onderzocht of het derde land in zijn individuele omstandigheden werkelijk veilig is. Volgens de VN-vluchtelingenorganisatie kan dat juist bij fouten ernstige gevolgen hebben, omdat een eenmaal uitgevoerde overdracht moeilijk ongedaan te maken is.⁵ Dit laat opnieuw zien waarom procedurele waarborgen niet slechts formaliteiten zijn. Wanneer een procedure buiten Europa komt te liggen, kan toegang tot een effectieve Europese rechter namelijk aanzienlijk ingewikkelder worden.

En hoe zit het met kinderen?

Voor niet-begeleide minderjarigen heeft de Europese wetgever bewust een strengere regel behouden. Een alleenstaande minderjarige mag niet uitsluitend op basis van een overeenkomst tussen een EU-lidstaat en een derde land naar dat land worden gestuurd. Voor minderjarigen moet er een werkelijke band met het land bestaan of moeten zij door dat land zijn gereisd. Daarnaast moet overdracht verenigbaar zijn met het belang van het kind en moeten de autoriteiten vooraf garanties hebben ontvangen dat het kind wordt overgenomen en onmiddellijk toegang krijgt tot effectieve bescherming.²

Dat is een belangrijke uitzondering. De Europese wetgever heeft daarmee erkend dat een model waarbij mensen zonder enige eerdere band naar een derde land worden overgebracht voor niet-begeleide kinderen te grote risico's meebrengt.

Het past in het bredere Europese en internationale uitgangspunt dat het belang van het kind een eerste overweging moet vormen bij migratiebesluiten die minderjarigen raken.

Maar wat als het derde land de persoon helemaal niet wil hebben?

Ook dat is een fundamenteel praktisch probleem. Een Europese staat kan juridisch besluiten dat een ander land veilig is, maar kan dat land niet eenzijdig verplichten de asielzoeker binnen te laten.

Daarom zei Brunner tegenover Nieuwsuur terecht dat het derde land wel moet willen meewerken.¹ Wanneer het betrokken derde land de persoon uiteindelijk niet toelaat of opnieuw toelaat, bepaalt de Asielprocedureverordening dat de asielzoeker weer toegang moet krijgen tot de Europese procedure.³ Dat maakt dergelijke plannen sterk afhankelijk van internationale overeenkomsten. Europa kan alleen op grote schaal procedures buiten de EU organiseren wanneer derde landen bereid zijn mensen over te nemen. Die landen zullen daar vaak iets tegenover willen zien: financiële ondersteuning, handelsvoordelen, visumafspraken, ontwikkelingsgeld of andere vormen van samenwerking.

Daarmee verschuift asielbeleid steeds verder richting buitenlands beleid en migratiediplomatie. Precies hetzelfde zagen we eerder bij de samenwerking tussen Spanje en Marokko en bij de bredere Europese externalisering van grensbewaking.

Externalisering: de grens verschuift steeds verder naar buiten

Daarmee past deze ontwikkeling binnen een veel grotere beweging. De Europese Unie probeert migratie al langer niet uitsluitend te beheren wanneer mensen eenmaal op Europees grondgebied zijn aangekomen. Steeds meer onderdelen van grens- en migratiebeleid worden naar buiten verplaatst. Europa financiert bijvoorbeeld grensbewaking in derde landen, werkt samen met transitlanden om mensensmokkel tegen te gaan en sluit overeenkomsten over terugkeer. De nieuwe veilige-derde-landregels gaan een stap verder.

Niet alleen grenscontrole, maar zelfs de verantwoordelijkheid voor de inhoudelijke bescherming van bepaalde asielzoekers kan in grotere mate bij een land buiten de EU terechtkomen. Dat wordt vaak aangeduid als de externalisering van asielbeleid.

Voor Europese regeringen heeft dat een duidelijke aantrekkingskracht. Wanneer mensen weten dat het bereiken van Europees grondgebied niet noodzakelijk betekent dat hun asielverzoek ook daadwerkelijk in Europa wordt behandeld, zou dat volgens voorstanders de prikkel kunnen verminderen om gevaarlijke irreguliere routes te gebruiken. De gedachte is dat daarmee ook het verdienmodel van mensensmokkelaars wordt geraakt.

Dat is ook de context waarin Nieuwsuur Brunner interviewde: de vraag was juist of het Migratiepact mensensmokkel daadwerkelijk moeilijker kan maken.¹ Maar of externe behandeling in de praktijk inderdaad leidt tot substantieel minder irreguliere migratie is een andere, empirische vraag. Het juridische feit dat een constructie mogelijk is, bewijst nog niet automatisch dat zij effectief, betaalbaar of praktisch uitvoerbaar is.

UNHCR: juridisch mogelijk, maar geen manier om verantwoordelijkheid af te schuiven

Interessant is dat UNHCR niet stelt dat overdracht naar veilige derde landen per definitie in strijd is met het Vluchtelingenverdrag. De VN-vluchtelingenorganisatie erkent dat vluchtelingen geen onbeperkt recht hebben om zelf te bepalen welk land hun asielverzoek moet behandelen. Onder bepaalde omstandigheden kunnen staten asielzoekers naar een veilig derde land overbrengen, mits sterke beschermingswaarborgen bestaan.⁵ Daarmee wordt een belangrijk misverstand weggenomen.

Het Vluchtelingenverdrag schrijft niet voor dat ieder land waarin iemand asiel aanvraagt altijd zelf inhoudelijk het gehele verzoek moet beoordelen. Maar UNHCR verbindt daar wel duidelijke voorwaarden aan.

De organisatie vindt dat zulke overdrachten bij voorkeur gebaseerd moeten zijn op een openbare en juridisch bindende overeenkomst waarin duidelijk staat welke staat waarvoor verantwoordelijk is. De asielzoeker moet in het ontvangende land toegang krijgen tot een volledige en eerlijke beoordeling en de rechten die bij vluchtelingenbescherming horen.

Daarnaast waarschuwt UNHCR ervoor dat rijke landen het veilige-derde-landconcept niet moeten gebruiken om hun beschermingsverantwoordelijkheid structureel naar andere staten af te schuiven. Dat raakt aan een principiële vraag. Als Europese landen grote aantallen asielzoekers overbrengen naar landen met aanzienlijk minder financiële en institutionele capaciteit, wordt de migratiedruk dan werkelijk opgelost? Of wordt zij vooral geografisch verplaatst?

Is dit hetzelfde als de overeenkomst tussen Italië en Albanië?

Niet helemaal. Het Italiaanse model met Albanië wordt regelmatig genoemd als voorbeeld van asielprocedures buiten EU-grondgebied, maar juridisch werkt het anders. Italië heeft op Albanees grondgebied centra ingericht waar onder Italiaanse verantwoordelijkheid migratie- en terugkeerprocedures plaatsvinden. De locaties liggen fysiek in Albanië, maar de procedures worden door de Italiaanse autoriteiten uitgevoerd en Italiaans en Europees recht blijft daarop van toepassing. In dat model wordt dus niet simpelweg tegen Albanië gezegd:

“U behandelt voortaan hun asielverzoek.”

De Italiaanse autoriteiten blijven zelf een centrale rol spelen. Over de juridische toelaatbaarheid van verschillende onderdelen van dit model is bovendien uitgebreid geprocedeerd. In 2025 en 2026 kwamen meerdere vragen bij het Hof van Justitie terecht, onder meer over detentie, rechten van asielzoekers en de verhouding tussen de Italiaans-Albanese overeenkomst en het Unierecht.⁶

Het Hof van Justitie oordeelde in augustus 2025 bovendien in zaken over vanuit Albanië behandelde aanvragen dat rechters de aanwijzing van een land als veilig land van herkomst daadwerkelijk moeten kunnen controleren en dat de informatie waarop zo'n kwalificatie berust toegankelijk moet zijn.⁷ Het Italiaanse model toont dus zowel de mogelijkheden als de juridische moeilijkheden van externe migratieprocedures.

Het is een belangrijke waarschuwing tegen de gedachte dat het simpelweg verplaatsen van een procedure naar buiten de EU betekent dat Europees recht en Europese rechters geen rol meer spelen.

Kan Europa zijn mensenrechtenverplichtingen dan überhaupt ‘uitbesteden’?

Nee. Een staat kan praktische taken of delen van een procedure buiten zijn eigen grondgebied organiseren, maar daarmee verdwijnen zijn mensenrechtenverplichtingen niet automatisch. Het non-refoulementbeginsel is daarbij de belangrijkste ondergrens. Een Europese staat mag iemand niet overdragen wanneer er zwaarwegende gronden bestaan om aan te nemen dat hij in het ontvangende land een reëel risico loopt op foltering of onmenselijke of vernederende behandeling.

Dat geldt ook wanneer het gevaar niet rechtstreeks in het ontvangende land bestaat, maar doordat dat land de persoon vervolgens zou kunnen doorsturen naar een andere staat waar hij gevaar loopt. Dit wordt ook wel indirect refoulement of chain refoulement genoemd. Het Europees Hof voor de Rechten van de Mens heeft daarom herhaaldelijk benadrukt dat de verzendende staat vooraf zelf moet onderzoeken of het derde land daadwerkelijk toegang biedt tot een adequate asielprocedure en bescherming tegen verdere uitzetting.⁴

De gedachte: “Vanaf het moment dat iemand buiten Europa is, zijn wij niet meer verantwoordelijk” gaat juridisch dus niet op. Juist de beslissing om iemand naar dat derde land over te dragen kan de verantwoordelijkheid van de Europese staat activeren.

En wat gebeurt er met artikel 18 van het EU-Handvest?

Ook het recht op asiel uit artikel 18 van het EU-Handvest blijft relevant. Dat recht bestaat met inachtneming van het Vluchtelingenverdrag en het Europese asielrecht. Het betekent echter niet automatisch dat iedere persoon recht heeft op inhoudelijke behandeling in precies de EU-lidstaat waarin hij aankomt. De nieuwe Asielprocedureverordening bouwt juist expliciet situaties in waarin een aanvraag niet-ontvankelijk kan worden verklaard zonder dat het oorspronkelijke vluchtverhaal volledig door die lidstaat wordt beoordeeld.³

Maar artikel 18 kan niet los worden gezien van artikel 19 van het Handvest, waarin onder meer non-refoulement en bescherming tegen collectieve uitzetting worden gewaarborgd. Daar komt artikel 47 bij: het recht op effectieve rechtsbescherming. De combinatie van die bepalingen vormt de juridische tegenhanger van de politieke wens om procedures sneller en verder buiten Europa te organiseren.

Europa kan de plaats veranderen waar bescherming wordt geboden. Het kan niet zonder meer de verplichting verwijderen om ervoor te zorgen dat die bescherming werkelijk bestaat en juridisch controleerbaar is.

Van grensprocedure naar externe procedure: een belangrijke volgende stap

Dit onderwerp sluit sterk aan bij een ontwikkeling die al in het Migratiepact zelf zichtbaar is. Het pact maakt veel meer gebruik van grensprocedures. Voor bepaalde asielzoekers wordt de aanvraag behandeld aan of nabij de buitengrens, waarbij zij juridisch nog niet worden beschouwd als personen die volledig tot het grondgebied zijn toegelaten. Het doel daarvan is sneller onderscheid te maken tussen personen die waarschijnlijk bescherming nodig hebben en personen wier aanvraag weinig kansrijk is.

De nieuwe veilige-derde-landregels gaan conceptueel nog verder. Bij een grensprocedure blijft de Europese staat zelf verantwoordelijk voor de inhoudelijke beoordeling. Bij toepassing van een veilig derde land kan die inhoudelijke beschermingsvraag uiteindelijk bij een niet-EU-land terechtkomen. Dat maakt externe verwerking één van de meest verstrekkende onderdelen van de nieuwe richting van het Europese migratiebeleid.

Lost dit het probleem van mensensmokkel op?

De politieke aantrekkingskracht van dit soort modellen is duidelijk. Mensensmokkelaars kunnen mensen nu laten geloven dat het bereiken van Europees grondgebied uiteindelijk toegang geeft tot een Europese asielprocedure. Wanneer het bereiken van een Grieks eiland of Italiaanse kust er juist toe kan leiden dat iemand vervolgens naar een derde land wordt overgebracht, verandert mogelijk de kosten-batenafweging van de reis.

Voorstanders hopen daarom dat externe behandeling de vraag naar smokkelroutes vermindert. Maar het verband is niet automatisch. Migratie wordt bepaald door veel meer factoren dan alleen de plaats waar een asielprocedure wordt gevoerd. Oorlog, vervolging, armoede, familiebanden, bestaande diasporanetwerken en verschillen in economische perspectieven spelen allemaal een rol. Bovendien moet een systeem op voldoende grote schaal functioneren voordat het werkelijk het gedrag van migranten of mensensmokkelaars kan beïnvloeden.

Wanneer slechts enkele honderden mensen naar een derde land worden overgebracht terwijl honderdduizenden aanvragen binnen Europa worden behandeld, kan het afschrikkende effect beperkt zijn. De vraag of externe verwerking juridisch mogelijk is, moet daarom worden onderscheiden van de vraag of zij praktisch effectief is.

Een derde land krijgt zelf ook macht

Externalisering creëert daarnaast een geopolitiek probleem dat ook bij andere onderdelen van het Europese migratiebeleid zichtbaar is. Wanneer de Europese Unie afhankelijk wordt van derde landen voor de opvang en behandeling van asielzoekers, krijgen die landen politieke invloed. Een Europese staat kan immers alleen iemand overdragen wanneer het derde land bereid blijft die persoon te accepteren.

Dat geeft het ontvangende land onderhandelingsmacht. Het kan financiële ondersteuning verlangen, visumafspraken vragen of migratiesamenwerking koppelen aan andere politieke dossiers.

We zagen bij de eerdere analyse over Ceuta en Marokko al hoe afhankelijkheid van een derde land voor grenscontrole uiteindelijk ook een politieke kwetsbaarheid kan worden. Bij externe asielprocedures kan die afhankelijkheid nog verder gaan. Europa besteedt dan niet alleen een gedeelte van de grensbewaking uit. Het wordt voor de werking van zijn asielsysteem zelf afhankelijk van de bereidheid van een andere staat om bescherming te organiseren.

Wat betekent dit voor Nederland?

Ook Nederland kan in beginsel gebruikmaken van het verruimde veilige-derde-landconcept. De Europese verordening geldt rechtstreeks in de lidstaten en staat toe dat lidstaten overeenkomsten of regelingen met veilige derde landen sluiten, mits aan de Europese voorwaarden wordt voldaan.² Maar een politiek plan om asielzoekers naar een land buiten Europa te sturen is nog iets anders dan een juridisch en praktisch uitvoerbaar systeem.

Er moet een derde land bereid worden gevonden. Dat land moet aan de veiligheidseisen voldoen. Er moeten afspraken bestaan over toelating, verblijf, behandeling van beschermingsverzoeken en rechten na erkenning. Individuele risico's moeten kunnen worden onderzocht. Er moet rechtsbescherming beschikbaar blijven. En wanneer het derde land iemand weigert over te nemen, moet die persoon uiteindelijk weer toegang krijgen tot de Europese procedure.³ De juridische mogelijkheid die Brunner beschrijft is dus reëel.

Maar de stap van “het mag in beginsel” naar “het werkt voor duizenden mensen in de praktijk” is aanzienlijk groter dan de politieke discussie soms suggereert.

Wat betekent dit voor het recht op asiel in Europa?

Hiermee komen we bij de meest fundamentele vraag. Het Europese asielstelsel is historisch gebaseerd op het idee dat iemand die een Europese staat bereikt en bescherming vraagt daar toegang krijgt tot een procedure waarin wordt onderzocht of terugkeer naar zijn land van herkomst veilig is. Het veilige-derde-landconcept verandert die logica gedeeltelijk. De eerste vraag wordt steeds vaker niet:

“Bent u vluchteling?”

maar:

“Moet Europa degene zijn die die vraag beantwoordt?”

Wanneer een veilig derde land bescherming kan bieden, kan het antwoord onder de nieuwe regels steeds vaker nee zijn. Dat hoeft op zichzelf niet in strijd te zijn met internationaal vluchtelingenrecht. UNHCR erkent dat onder strikte voorwaarden overdracht naar een veilige derde staat mogelijk is.⁵ Maar wanneer dit op grote schaal gebeurt, kan het karakter van het Europese asielstelsel fundamenteel veranderen. Europa blijft dan formeel gebonden aan het recht op asiel en non-refoulement, maar organiseert steeds vaker dat de daadwerkelijke inhoudelijke bescherming buiten zijn eigen grondgebied plaatsvindt.

Daarom gaat de discussie uiteindelijk niet alleen over juridische techniek. Zij gaat over de vraag waar Europa vindt dat zijn verantwoordelijkheid voor vluchtelingen begint en waar die verantwoordelijkheid mag eindigen.

Conclusie: juridisch mogelijk betekent nog niet juridisch eenvoudig

Eurocommissaris Magnus Brunner heeft in één belangrijk opzicht gelijk: het Europese recht biedt sinds 2026 aanzienlijk meer ruimte om asielzoekers naar veilige landen buiten de EU over te brengen en hun beschermingsvraag daar te laten behandelen.¹ ² De hervorming is ingrijpend. Een eerdere persoonlijke band met het derde land is niet langer altijd noodzakelijk. Transit door het land kan voldoende zijn en via een overeenkomst kan zelfs overdracht plaatsvinden wanneer iemand nooit eerder een betekenisvolle band met dat land heeft gehad.

Maar daaruit volgt niet dat Europa zijn asielverantwoordelijkheid onbeperkt kan uitbesteden. Het ontvangende land moet werkelijk veilig zijn. Het moet bescherming tegen refoulement bieden. Het moet een inhoudelijke en behoorlijke beschermingsprocedure organiseren. De individuele omstandigheden van de asielzoeker blijven relevant en de beslissing om iemand over te dragen moet juridisch kunnen worden aangevochten.

Voor niet-begeleide minderjarigen gelden bovendien strengere eisen. En wanneer het derde land iemand niet wil ontvangen, moet de Europese procedure weer toegankelijk worden.² ³ De ontwikkeling maakt daarmee één van de belangrijkste verschuivingen binnen het hedendaagse migratierecht zichtbaar. De Europese buitengrens is steeds minder uitsluitend een fysieke lijn rond het Europese grondgebied.

Via afspraken over grensbewaking, terugkeer en nu ook bescherming probeert Europa onderdelen van zijn migratiesysteem voorbij die geografische grens te organiseren. Dat kan volgens het recht onder bepaalde omstandigheden. Maar juist naarmate de procedure verder van Europa wordt geplaatst, wordt een andere vraag steeds belangrijker:

kan een asielzoeker nog daadwerkelijk controleren of de staat waarnaar hij wordt gestuurd veilig is, en kan een Europese rechter nog effectief ingrijpen vóórdat een fout onomkeerbaar wordt?

Daarmee komt de discussie uiteindelijk opnieuw uit bij een thema dat door vrijwel het gehele nieuwe Migratiepact loopt: snellere en strengere migratieprocedures zijn juridisch alleen houdbaar wanneer effectieve rechtsbescherming met die procedures meebeweegt.

Bronnenlijst

1. NOS Nieuwsuur, ‘Asielzoekers buiten EU laten wachten? Juridisch kan het, zegt Eurocommissaris’, 12 juni 2026.
https://nos.nl/nieuwsuur/video/2618174-asielzoekers-buiten-eu-laten-wachten-juridisch-kan-het-zegt-eurocommissaris

Zie tevens: NOS Nieuwsuur, uitzending van 11 juni 2026, ‘Mensensmokkelaars buitenspel door migratiepact?’, waarin Eurocommissaris Magnus Brunner ingaat op de mogelijkheid van procedures en bescherming buiten de EU.
https://nos.nl/nieuwsuur/artikel/2618082-11-6-in-nieuwsuur-mensensmokkel-onder-het-migratiepact-thuisonderwijs

2. Verordening (EU) 2026/463 van het Europees Parlement en de Raad van 24 februari 2026, tot wijziging van Verordening (EU) 2024/1348 wat betreft de toepassing van het begrip ‘veilig derde land’. In het bijzonder de gewijzigde art. 59 lid 5 en 6.
https://eur-lex.europa.eu/eli/reg/2026/463/oj

De verordening introduceert drie mogelijke gronden voor toepassing van het veilig-derde-landconcept: een relevante band, transit door het derde land of een overeenkomst waarbij het derde land zich ertoe verbindt de beschermingsvraag inhoudelijk te behandelen.

3. Verordening (EU) 2024/1348 – Asielprocedureverordening, in het bijzonder art. 57-60 betreffende effectieve bescherming, het eerste land van asiel en het begrip veilig derde land.
https://eur-lex.europa.eu/eli/reg/2024/1348/oj

4. Europees Hof voor de Rechten van de Mens, J.B. t. Griekenland, arrest van 26 mei 2026. De zaak betreft de voorgenomen overdracht van een Syrische asielzoeker naar Turkije als veilig derde land en de eisen die worden gesteld aan individuele beoordeling en effectieve rechtsbescherming.
https://www.echr.coe.int/w/judgment-concerning-greece-11

Zie voor de bredere rechtspraak: EHRM, Ilias and Ahmed t. Hongarije [GK], 21 november 2019, nr. 47287/15, over de verplichting om vóór overdracht aan een derde land te onderzoeken of daadwerkelijk toegang bestaat tot een adequate asielprocedure en bescherming tegen refoulement.
https://hudoc.echr.coe.int/eng?i=001-198759

5. UNHCR, ‘UNHCR calls for stronger safeguards in EU proposal on asylum transfers to third countries’, 12 juni 2025. UNHCR accepteert dat overdracht naar veilige derde landen onder bepaalde voorwaarden mogelijk is, maar waarschuwt voor onvoldoende rechtsbescherming en voor het afschuiven van beschermingsverantwoordelijkheden.
https://www.unhcr.org/europe/news/press-releases/unhcr-calls-stronger-safeguards-eu-proposal-asylum-transfers-third-countries

6. Hof van Justitie van de Europese Unie, lopende zaken C-706/25 Comeri, C-707/25 Sidilli en C-414/25 Sedrata, betreffende verschillende juridische vragen rond de Italiaans-Albanese migratiecentra, onder meer over detentie, de rechten van asielzoekers en de verhouding tussen de bilaterale overeenkomst en het Unierecht.
https://curia.europa.eu/site/jcms/p1_1000081788/en/hearings-joined-cases-c-706/25-comeri-and-c-707/25-sidilli-and-c-414/25-sedrata

7. Hof van Justitie van de Europese Unie, 1 augustus 2025, gevoegde zaken C-758/24 en C-759/24, Alace en Canpelli. Het Hof benadrukte onder meer dat nationale rechters daadwerkelijk moeten kunnen controleren op welke informatie een aanwijzing als veilig land van herkomst berust.
https://curia.europa.eu/juris/liste.jsf?num=C-758/24

8. Europese Commissie, ‘Questions and answers on the Pact on Migration and Asylum’, geactualiseerd bij de toepassing van het Pact op 12 juni 2026. De Commissie legt hierin de drie nieuwe routes voor toepassing van het veilig-derde-landconcept uit.
https://home-affairs.ec.europa.eu/policies/migration-and-asylum/pact-migration-and-asylum/questions-and-answers-pact-migration-and-asylum_en

9. European Migration Network / Europese Commissie, ‘Safe countries of origin and safe third countries: criteria for identifying and examining applications in light of the new Asylum Procedure Regulation’, april 2026.
https://home-affairs.ec.europa.eu/news/emn-inform-examines-safe-countries-origin-and-safe-third-countries-under-asylum-procedure-regulation-2026-04-20_en

10. Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, in het bijzonder art. 18 betreffende het recht op asiel, art. 19 betreffende bescherming bij verwijdering en non-refoulement en art. 47 betreffende effectieve rechtsbescherming.
https://eur-lex.europa.eu/legal-content/NL/TXT/?uri=CELEX:12016P/TXT

Maak jouw eigen website met JouwWeb